Vreemde eend

Of het nu de exceptionele hoeveelheid kinderen en beesten in mijn kakelbonte gezin is of mijn hier en daar, iet wat provocerende persoonlijkheid met lak aan uiterlijk vertoon. Maar ik voel me een redelijk vreemde eend in vrijwel iedere bijt. Hoewel ik me dwalende bevind omtrent de oorzaak, begint het me op sommige momenten enigszins te dagen.
Zo is het geen groot geheim dat ik een eigenwijze Boulab heb (dat is een kruising tussen een Labrador en een Berner Sennen), die steevast ‘het honk’ verlaat. Of het hek nu hermetisch afgesloten is en er stroomdraad op de omheining staat, zij vindt een ‘way out’. Al vanaf dat wij hier kwamen wonen is zij en daarmee ons gezin, de talk of the town én de buurt-app. Ze ligt tegenwoordig aan een lange lijn, wat haar behoorlijk de keel uit begint te hangen. Nu heb ik ook een trouwe Golden retriever/Herder-kruising die het fort bewaakt en nimmer verlaat. De dierenvriend in mij, met medelijden voor de gevangenschap van mijn Boulab, al zij het haar verdiende loon, kwam op een lumineus idee, al zeg ik het zelf. Ik bond de beide viervoeters met de riemen aan elkaar. Zo konden ze tezamen rondlopen door de tuin, maar weglopen lukt haar niet met haar buddy, zelfs als de poort wagenwijd openstaat. Dat ging lange tijd uitstekend, op één keer na, toen we allemaal van huis waren. Vermoedelijk had de trouwste van de twee het onderspit te delven en liep gedwee met zijn ‘zus’ mee de straten door. Een hilarisch tafereel, maar een gevaar voor velen en zichzelf, aangezien ze een spanwijdte van een slordig tweeënhalve meter hadden. Zonder de krant te halen waren ze gelukkig een paar uur later terug. Zij humeurig, hij blij als Hans en Grietje die de weg naar huis terug hadden gevonden.
Een ding was zeker, dit deed híj nooit weer. Uit medelijden voor hem, gun ik hem echter zo nu en dan zijn vrijheid in de tuin. Normaliter leg ik haar dan weer een poosje aan haar ‘geitenlijn’, waar zich inmiddels een cirkel van kuilen bevindt, die zij uit verveling is gaan graven.
Tijdens een rigoureuze opschoning van het huis, kwam ik een oude bekende tegen. Een cadeau van mijn vader, aan mijn zoon toen hij geboren werd. Een levensgrote beer, van bijna een meter hoog, met een gigantisch hoofd en een hartverwarmende glimlach. Inmiddels was in de loop der jaren het touwtje van zijn snuit wat uitgelubberd en lijkt hij nu net een hazenlip te hebben. Bruno mocht weg van mijn zoon en stond al een week of wat klaar om naar het grofvuil afgevoerd te worden. Daar ging ik, met de beer onder de arm de tuin in. Ik haalde de lijn van het paaltje en legde een knoop om Bruno’s nek. Zo kan ook zij ‘vrij’ door de tuin lopen, dacht ik, al blijft Bruno regelmatig achter een struik of tuinstoel hangen. De enige voorwaarde was wel, dat de poort dicht zou blijven, want deze buddy is veel gewilliger dan de vorige. Ze zou zich met dit logge beest echter niet onder het hek door kunnen wurmen, noch de dichte beukenhaag door kunnen. Subliem!
Het plan bleek niet waterdicht. Zo reed ik laatst weg en twee straten verder realiseerde ik me dat ik de poort vergat te sluiten, macht der gewoonte. In allerijl stuurde ik mezelf terug naar ons huis, waar ik nog net Bruno met zijn wrange glimlach de hoek om zag gaan. Ik zette de achtervolging in. Ze waren een tuin in gerend, kwamen aan de andere kant tevoorschijn, staken gebroederlijk de straat over om direct te volgende tuin te doorkruisen. Zo’n twintig meter verderop zag ik haar de straat weer opkomen en richting bos galopperen, nog immer op de voet gevolgd door Bruno. Ik onderschepte het tweetal vlak voor een drukke weg die onze wijk scheidt van het bos. Ik reed haar klem en ze gaf zich over. En Bruno ook. Ik zwiepte de achterklep open en hoefde niets te zeggen. Ze sprong er zelf in en ik gooide Bruno ernaast. Ze keken me schuldbewust aan.
Ik keek even om me heen of niemand me had gezien.
Plots begon het me weer te dagen: Wie bedenkt nou zoiets?
Tja, ik dus!

Slapeloze nachten

Waar ik vroeger uren lag te woelen onder mijn dekbed, doordat mijn hoofd overuren draaide over al wat gebeurde, gebeurd was, zou gebeuren of zelfs zou kúnnen gaan gebeuren, heb ik nu de gave alles los te laten zodra mijn hoofd het kussen raakt. Deze opmerkelijke verandering in mijn geestelijke gestel wil echter spijtig genoeg niet zeggen dat er een einde is gekomen aan mijn slapeloze nachten. Of het nu karma of vette pech is dat vrijwel iedere nacht bruut en abrupt verstoord raakt door alle gelederen in mijn directe omgeving is me nog volkomen onduidelijk. Een kind dat om één uur ’s nachts klaar is met werken en me onnadenkend wakker belt om met me te delen wat hem nu weer overkomen is. Een stommelende puber die terug komt van het stappen en vergeet dat die halve legerkisten die tegenwoordig zo kittig onder een frivool jurkje staan, best voor wat reuring zorgen op de houten vloeren van onze bovenverdieping of eentje die zijn huissleutel vergeet mee te nemen en ik in de kleine uurtjes de deur dus van het slot moet gaan halen. De hond, die vanuit een misplaatst ontwikkelde verlatingsangst, blaft bij alles wat hij hoort en ziet. De sproeier van de achterburen die ’s nachts het gazon bewatert en daarbij de blaadjes van onze beukenhaag raakt, doet hem al volslagen paranoïde geraken. Hetzelfde geldt voor grapjassen die het nodig vinden om midden in de nacht een rotje af te steken, of wanneer er iemand het pad op komt fietsen, een licht aan doet in huis dat al uit was of iets laat vallen. Volkomen gestrest blijft hij blaffen tot ik mijn bed uit stap, staande op de wc-bril naar het badkamerraampje reik en hem toe snauw dat hij moet “kappen” . Datzelfde ritueel volbreng ik als er onweer in de lucht hangt. Trekt de bui echter niet spoedig over dan kan ik niet slechts volstaan met een preek door het raampje. Ik trek wat aan, strompel op mijn gevoel de trap af omdat mijn ogen niet open te krijgen zijn, loop door de regen naar het hondenhok om daar de angstige Moos uit zijn lijden te verlossen. Bij toeval heb ik ontdekt dat hij zich in mijn achterbak lekker veilig voelt bij donder en bliksem, waar ik hem dan ook de nacht door laat brengen. Ik neem de intens stinkende auto voor lief. Hij blij, ik blij, hopen dat ik nog in slaap kom. Met enige regelmaat kiest de andere hond vroeg in de avond in een onbewaakt ogenblik het hazenpad, op zoek naar etensresten elders in de straten van een aangrenzende wijk, om na een paar uur weer voldaan op de stoep te staan met haar zware blaf.
Muggen die me horendol maken met hun penetrante gezoem, of puur de angst dat het beestje, dat ik zojuist hoorde, me zal steken en ik dus ver onder het veel te benauwde dekbed voor de tijd van het jaar kruip, wat slapen onmiskenbaar onmogelijk maakt. Soms heb ik nog niets gemerkt maar word ik gealarmeerd op de aanwezigheid van het ongedierte doordat ik mijn man, fanatiek zwaaiend met zijn elektrocuteer-racket, op het bed zie staan in het felst mogelijke licht van zijn bedlampje. Twee nachten geleden werd ik wakker van het gebonk van een slecht waterpas geplaatste wasmachine. Ik had mijn machine echter niet aangezet, drong het pas na een poosje tot me door. Ik concentreerde me krampachtig op het ritmische geluid en kwam tot de conclusie dat het de overheersende beat van een onherkenbaar nummer was, vermoedelijk op een examenfeestje een stuk verderop.
Je zou toch bijna terug verlangen naar de nachtelijke hersenspinsels en mijmeringen van vroeger….

Toscaanse bruiloft

Reeds een jaar geleden kregen we een ‘Save the date’ voor de 20-jarige huwelijksviering van twee dierbare vrienden. Een ieder diende dan weliswaar op eigen gelegenheid naar Toscane af te reizen, maar van vrijdagmiddag tot zondagmiddag verkeerden we in een volkomen all inclusive-luxe op uitnodiging en kosten van het bruidspaar. Hoewel ik het ruimschoots tevoren in de agenda had staan gaf de krappe tijdspanne die we uiteindelijk hadden om naar het zonnige Italië af te reizen, blijk van mijn inferieure agendabeheer. Een smakelijk diner voor twee, gevolgd door een romantische, ontspannen overnachting voorafgaand aan het geplande weekend veranderden in een zak chips en een paar schamele uurtjes met een achterover gedraaide stoel op de parking van een tankstation langs de Zwitserse snelweg. Roerige tijden thuis hadden ervoor gezorgd dat ik meer dan ooit toe was aan tijd voor mezelf, maar het naderende weekend, met een slordige 50 man die ik nog moest leren kennen, zou daar weinig gehoor aan gaan geven vermoedde ik. Met enige tegenzin had ik mijn kinderen achtergelaten en was ik na een lange nacht werken, in de gepakte auto gestapt. Gaandeweg namen de bezwaren echter langzaam af.
De adembenemende omgeving werd gesierd door het prachtige, eeuwenoude resort dat het decor bleek te zijn van de feestelijke dagen. De stralende gezichten van de feestvarkens, die heerlijk in het zonnetje alle genodigden op zaten te wachten, deden mijn vermoeidheid spontaan verdwijnen. In het gemoedelijke appartement dat we toebedeeld kregen voelde ik me meteen senang en het indrukwekkende uitzicht over de nabijgelegen vallei overspoelde me met melancholie. De jetlag zal hier wellicht enige parten hebben gespeeld. De eerste middag stond er een picknick op het programma in de berm langs de route van de ‘Mille Miglia’, de befaamde, 4-daagse oldtimer rally vanuit Brescia. Met vlaggetjes en luidkeels gejoel en de nodige wijntjes in de hand werden de deelnemers enthousiast begroet. Naarmate de alcohol lichtelijk in begon te dalen leek men het gevaar van de voorbijrazende praalwagens te vergeten. Dat er niemand lallend tussen de antieke wielen van een rallyrijder is beland mag achteraf een wonder worden genoemd. De verloren uurtjes tussen de zalige diners en vermakelijke activiteiten brachten we met velen door bij het zwembad, dat nog aardig frisjes bleek te zijn. Met overslaande hartslag trotseerden we het blauwe, koude water, dat zelfs bij de aanvankelijk ogenschijnlijk stoere heren een verwijfd, bijna hysterisch gilletje teweeg bracht. De warme zon compenseerde dit ruimschoots en bier, Aperol Spritz en wijn werd ten overvloede aangevoerd. Het SBS6-achtige tafereel dat zich daar afspeelde, goede diepgaande ‘Villa Velderhof’-gesprekken afgewisseld door lachen, gieren en onderbroekenlol, zou ongetwijfeld vele kijkers hebben getrokken. De gemene deler tussen alle gelederen was het bruidspaar en dat bleek een unieke bindende factor. Slechts het gevoel voor competitie bracht een kortstondige, zij het oppervlakkige, kliekvorming met zich mee, toen we in vier groepen al wandelend een speurtocht moesten volbrengen, waarvan we tot mijn grote teleurstelling tot op heden nog geen uitslag mochten ontvangen.
We hebben gedronken, gegeten, gelachen en bovenal genoten voor tien. Met onderdrukte heimwee naar de gemoedelijke gezelligheid, la bella Italia en het fijne stel mensen zijn we inmiddels weer thuis gearriveerd. Ik mag hopen dat ze hun 25-jarig jubileum ook zullen vieren!

Proefnotities

Aangezien onze wijnvoorraad aanzienlijk harder slinkt nu de kinderen ook van een wijntje beginnen te genieten, werd het weer eens tijd voor een herhaalrecept. Omdat de ooit sacrale wijnkast er tegenwoordig tevens toe dient om lekker ‘goedkoop’ in te drinken alvorens er naar de stad wordt gegaan door deze of gene, zitten we vroegtijdig zonder ‘wit’. De vorige wijn was lekker, gangbaar en redelijk betaalbaar, dus zouden we diezelfde flessen licht zurig vocht wederom op de kop tikken. Via goede vrienden waren we aan de wijn gekomen ten behoeve van onze bruiloft, dus om het verkoopadres te achterhalen werd ons bourgondische vriendenstel weer ingeschakeld. Het toeval wilde dat er bij het wijnhuis een proeverij plaatsvond en we dus onder het genot van diverse champagnes en rosés onze bestelling witte wijn door konden geven. Nu ben ik verre van een fan van wijn, champagne, noch rosé, dus een dergelijk uitje is feitelijk geenszins aan mij besteed. Echter, onder het mom van, ‘we doen te weinig samen’, ging ik mee naar het Belgische dorpje vlak over de grens, om de wijnen 1 tot en met 27 te ruiken, proeven en beoordelen. Het scala aan keuzemogelijkheden op het formulier dat uitgereikt werd teneinde tot de juiste keuze te komen bleef bij mij angstvallig leeg. De geur, kleur en druif zouden me werkelijk worst wezen. Er had wat mij betreft slechts: Lekker? Ja/Nee op hoeven staan. Als de smaak maar oké is, hoewel dat een zeldzaam voorkomend fenomeen is voor mij als fervent bierdrinker. Ik ging mezelf te buiten aan de heerlijke borrelhapjes die her en der voor het grijpen lagen om je smaak te neutraliseren alvorens je de volgende wijn in liet schenken. Eerst uiterst delicaat om zogenaamd ook te neutraliseren voor de volgende slok, maar na verloop van een aantal wijntjes, tijd en afnemende remmingen moet duidelijk zijn geweest dat ik de happen in grote hoeveelheden verorberde om de wijnsmaak volkomen weg te werken. Een enkeling moet gedacht hebben dat ik met een serieus eetprobleem te kampen heb. Wars van enige kennis heb ik de nodige wijnen geproefd om mezelf van mijn beste kant te tonen en wellicht in de hoop dat er toch ooit een wijn moet zijn die mij wel kan bekoren. Gelukkig hoefde ik niet te rijden, want na 6 soorten champagne en een vijftal rosés begon ik de alcohol al best te voelen. Hoe meer ik van de fruitige, bloemige en houtachtige bouquets had geslurpt des te minder ik de rillingen ervan over mijn rug kreeg. De laatste die ik proefde vond ik zowaar best weg te krijgen, dus enthousiast werd deze door mijn man toegevoegd aan de bestellijst, alvorens ik me zou bedenken. Een zeer gemêleerd gezelschap, zowel jong als oud nam deel aan de proeverij. Een jongetje van een jaar of 7 rende de benen onder zijn kont vandaan om voor zijn vader, die vermoedelijk al niet meer uit zijn stoel kon komen, alle soorten een keer of drie bij te tanken. Het ‘All you can drink’-concept werd nogal letterlijk genomen en als tegenprestatie kocht het gros één of meerdere doosjes wijn en een enkeling vulde vermoedelijk de volledige wijnkelder aan.
Leuk tijdverdrijf hoor, voor de zondagmiddag, maar volgende keer toch maar een gewoon biertje voor mij.

Marktplaats, hoe doet men dat toch?

Marktplaats, hét epicentrum van ergernis en frustratie als je het mij vraagt. Nadat we met vereende krachten het appartementje van wijlen mijn schoonmoeder leeg hadden gehaald, besloten we het gros van de meubeltjes naar een kringloop winkel bij haar in de buurt te brengen. Gedurende het proces echter, begon mijn man steeds meer twijfels te krijgen per stuk dat ik rigoureus af dacht te kunnen danken. We zouden er zelf in ieder geval weinig van kunnen gebruiken en de studentenkamers van onze kinderen waren al ruimschoots verzadigd. Ik zag dus weinig mogelijkheden. Hij wel. “We zetten het gewoon allemaal op marktplaats”. Ik zuchtte diep, want als mijn man ‘we’ zegt dan weet ik al wie er aan de beurt zal komen. Gelukkig kon ik hier en daar nog wel voorkomen dat er weer een onmogelijk attribuut aan de te verkopen huisraad toegevoegd werd, maar uiteindelijk gingen we met 2 volle boedelbakken naar huis.
Die ochtend waren we de inferieure aanhanger op gaan halen. Gelukkig hadden ze er nog een aantal staan, want ik was in de chaos vergeten er eentje te reserveren. We haakten het eerste exemplaar aan en voordat het geval goed en wel aan mijn trekhaak hing, viel het complete neuswiel eraf. Alvorens je het elektriciteitssnoertje krijgt ten behoeve van de verlichting en signalering, dien je echter het sleuteltje van het poortje waar de boedelbak achter gestald staat weer in te leveren. Zodoende rende ik terug naar de balie om te melden dat we toch een andere mee zouden nemen en de sleutel weer op te pikken, die we net teruggebracht hadden. Hollend kwam ik terug bij mijn auto. We wisselden van bakkie en hadden inmiddels al een half uur vertraging. We sloten alles aan en constateerden geërgerd dat deze weliswaar drie wielen had, maar rechts geen achterlicht had en tevens een haperende richtingaanwijzer. Eén van onze meiden was het sleuteltje van het tweede poortje net terug gaan brengen, dus ik keek mijn man een moment moedeloos aan en besloot resoluut dat het wel goed was zo. Halverwege kwamen we er ook nog achter dat we de kentekenplaat op de eerste aanhanger hadden laten zitten, dus nu zowel nummer- als verlichting-loos op de snelweg zaten.
Drie volle bakken brachten we naar de kringloop en we moesten twee keer op en neer voor de koopwaar die ons een gezellig familie-uitje zou gaan bezorgen, zo was het plan.
We zijn nu ruim een maand, 78 mailtjes en 23 telefoontjes verder en slechts het theeservies lichter. De volledige garage wordt overheerst door de meuk die zelfs op marktplaats niemand hebben wil. En dat terwijl de prijzen van dien aard zijn dat ik denk dat ons familie-uitje hooguit een ijsje bij de plaatselijke friettent wordt.
Bezint eer gij begint!

Waardig afscheid

Warme herinneringen komen bovendrijven wanneer ik naar de foto kijk die wij uitkozen om op de kist te zetten van mijn lieve schoonmoeder, die deze maand op 95 jarige leeftijd, ten gevolge van de griep, vredig en in volkomen berusting is ingeslapen.
Een warmhartig, oprecht mens, met de benijdbare gave een ieder te bekoren die in haar leven voorbij kwam.

Mijn eerste ontmoeting met haar staat nog scherp op mijn netvlies.
De zenuwen gierden door mijn lijf toen ik de moeder van mijn kersverse vriend zou gaan ontmoeten.
Mijn vriend was tenslotte in mijn ogen een redelijk stijve, ogenschijnlijk gedistingeerde, wat zelfingenomen man en bovendien enig overgebleven zoon, dus ik kon een aardige voorstelling maken van deze oudere dame.
Met een steen in mijn maag volgde ik mijn vriend, stapte het appartement in het verzorgingshuis binnen en zag haar staan. Ze kwam amper tot zijn schouder, had een roze hesje aan met een kleurrijk bloesje eronder. Op haar bril droeg ze een gele zonnefilter die ze omhoog had staan.
Ze kreeg een kus van haar zoon, die ze met beide handen bij zijn wangen greep. “Hé ventje”, klonk het enthousiast door in haar broos krakende stem.
“Kijk eens wie ik meegenomen heb, Ma!” zei mijn vriend alsof hij een puppie voor haar had gekocht.
Ze draaide haar hoofd en keek me met een stralend gezicht aan. Héhéhéhéhéééé, wat leuk dat je er bent, Barbara. Ze pakte mijn uitgestoken hand en trok me onverwacht ferm naar zich toe om me een kus op mijn beide wangen te geven.
De steen in mijn maag was acuut verdwenen.
Ze voldeed in geen enkel opzicht aan het beeld dat ik volkomen ten onrechte, in mijn gedachten, met al mijn vooroordelen, van haar geschetst had.
Het was een heerlijk mens, je kon niet anders dan van deze vrouw houden.
Vanaf dat moment werd me ook duidelijk waarom ik als een blok voor haar zoon was gevallen, die op het eerste gezicht onbegrijpelijk ‘out of my usual box’ leek te zijn.

De begrafenisondernemer kwam en besprak met ons de mogelijkheden voor het afscheid. Een bijzonder vak. Wie kiest dat, dacht ik vaak. Maar het is met recht, een ‘bijzonder’ vak. Wat is het belangrijk om op een waardige, toepasselijke manier afscheid te kunnen nemen van iemand die je lief is. En wat heeft hij ons hierbij geweldig begeleid.
Ze werd door zes heren de kerk uit gedragen. Wat mij betreft had ze niet geschouderd, maar op handen gedragen moeten worden.
Met een traan en een glimlach op ons gezicht liepen we achter haar, onder muzikale begeleiding van de galmende en treffende woorden “You’ll never walk alone” van Lee Towers.
Want zo’n warm en hartelijk mens loopt nooit alleen,
ze kon op het laatst ook niet meer alleen lopen, dus het was genoeg zo én uiteraard vanwege de volhardende voorliefde voor haar favoriete club, Feyenoord. Waarvan ze de helaas jammerlijke standen nog nauwlettend bijhield.
Dankbaar voor wat was en met mooie herinneringen, gaan we zonder haar verder.

Wat een zorg!

Of de duivel ermee speelt, was het wederom laat in de avond toen er een telefoontje uit het verzorgingstehuis kwam dat mijn schoonmoeder naar het ziekenhuis zou worden gebracht per ambulance, omdat de zoveelste longontsteking de kop op leek te steken bij het 95 jaar oude besje. In allerijl reden we richting het Rotterdamse ziekenhuis, niet bijzonder gehinderd door overmatige bezorgdheid, aangezien deze taaie tante de laatste jaren vaker met dit bijltje gehakt heeft en er steeds weer kranig bovenop komt. Door een bittere, snijdend koude wind liepen we van de parkeerplaats naar de hoofdingang om vervolgens weer een halve kilometer terug te moeten lopen door de ijzige avondlucht naar de eerste hulp waar ze zich nog bleek te bevinden. Letterlijk alles werd uit de kast getrokken om een juiste diagnose te kunnen stellen. Een infuus in de arm ten behoeve van tientallen bloedbuisjes die doen bevroeden dat er werkelijk geen druppel meer in het mensje zit. Zuurstof via een canule in haar neus, waar ze veel baat bij leek te hebben omdat haar roffelende keel vol slijm geen lucht meer door leek te laten. Met stickers op haar borstbeen werd haar hartritme nauwkeurig in de gaten gehouden. Vocht werd tevens via het infuus toegediend om het vervolgens in het aangebrachte katheter weer op te vangen. Een hartfilmpje en longfoto’s, niets liet men aan het toeval over. Dertig onderzoeken, twaalf verpleegsters en vier kilo plastic afval van alle steriele verpakkingen van medische instrumenten en hulpmiddelen verder, begon het eindeloze wachten op alle uitslagen. Dat alle toeters en bellen op de monitor roodgloeiend en luid loeiend af gingen toen haar hartslag van zorgelijk laag naar extreem hoog schoten leek niemand te alarmeren. Ik begon me af te vragen wat de functie van het monitoren was als er toch geen gade geslagen wordt op de kermisattractie die ontstaat als de situatie nijpend wordt.
Het onvermijdelijke werd ons tegen 2 uur ’s nachts medegedeeld, ze werd opgenomen voor een paar dagen.
Anderhalve dag later viel ik onverwacht bij haar binnen. Ik droeg, vanwege besmettingsgevaar, een mondkapje en was kennelijk onherkenbaar voor haar, aangezien ze me direct toebeet dat ze nog steeds op de po lag en ze de hele dag nog niets te drinken had gekregen. Ik haastte me de gang op, op zoek naar verplegend personeel om haar van haar po te bevrijden. Ik zag een tweetal dames, in onberispelijk wit in een soort vierkante vissenkom midden op de gang, zitten en besloot daar mijn hoofd om de hoek te steken. ‘Euh, dames…’ begon ik.
‘U ziet dat wij hier in gesprek zijn mevrouw, kunt u de deur alstublieft weer sluiten?’ Op dat moment viel mijn oog pas op het betraande gezicht van de andere dame en ik droop zwijgend af. Van een karretje dat ik op de gang aantrof pakte ik een glas en een rietje om mijn lijdende schoonmoeder in ieder geval van wat water te kunnen voorzien. Ik liep nog een paar rondjes over de afdeling, maar de broeder die ik tegen dacht te komen meldde me dat hij de fysiotherapeut was en niets van po’s wist. Er was werkelijk niemand te bekennen. Ik trok de stoute schoenen aan en stak wederom mijn hoofd om de hoek van de vissenkom. ‘Het spijt me werkelijk u nog eens te moeten storen maar weet u zeker dat er ook nog verplegend personeel is dat in actieve dienst is op dit moment?’
Haar geërgerde blik sprak boekdelen en haar antwoord bevestigde dat er toch echt een aantal collega’s rond moest lopen. Mijn oog viel direct op een wit uniform dat nog dichtgeknoopt werd. Een frisse wind, net wat ik nodig had. Ze spoedde zich achter me aan en hielp mijn mopperende schoonmoeder van de po die ze ruim twee uur ervoor ondergeschoven had gekregen. Ik legde het meisje uit dat de noodknop onbruikbaar was als men niet de moeite nam even naar binnen te komen, ondanks het besmettingsgevaar. De vrijwel dove patiënte zou weinig gehoor geven aan de krakende vraag, ‘of alles goed gaat’, die nauwelijks hoorbaar door de intercom gesteld wordt. Haar verbaasde gezicht verried de volkomen desoriëntatie bij het horen van de stem door de erbarmelijke speaker.
Hoe bestond het dat ik dit moest bedenken.
Dat er meer geld nodig is voor de zorg is onmiskenbaar, ik hoop echter dat men in de tussentijd wel hun common sense blijft gebruiken onder de oplopende werkdruk.
De zorg blijft tenslotte een roeping.

‘Bad Mom’

Naar beste eer en geweten, middels immense hoeveelheden onvoorwaardelijke liefde, engelengeduld en kostbare energie, lukt het toch weer vrijwel iedere ouder, het kroost groot te brengen. Slechts groot is echter niet genoeg. Gelukkig, gezond en met enig toekomstperspectief ambiëren we natuurlijk ook. Er zijn momenten dat ik al meer dan genoegen neem met slechts ‘geluk’. De illusie dat ik daar nu nog enige invloed op heb, heb ik grotendeels laten varen.
Als ze klein en onbevangen zijn, draait het om ‘Rust, Regelmaat en Reinheid’. Geef daar wat liefde bij en dan kom je echt al een heel eind. Gedurende de puberteit ben ik de structuur volkomen kwijt geraakt en dat heb ik gewoonweg geaccepteerd. Die tijd zit ik uit, met mijn ‘fingers crossed’ en mijn eigen L.N.S.-strategie. Loslaten, Negeren en Slikken. Een vrijwel onmogelijke taak, maar wederom naar beste eer en geweten, houd ik mezelf voor.
Zodra ze de puberteit voorbij zijn, realiseer me, dat ik meer dan ooit, de houvast mis die je op het consultatiebureau meekreeg bij het prille begin. De adolescenten die langzaam je vleugels ontgroeien, maar zich soms plots weer wanhopig aan je vastklampen, lijken zelfverzekerder en tegelijkertijd fragieler dan welke andere leeftijdscategorie ook.
Zo vraagt elke moeder zich waarschijnlijk wel eens af of ze het wel goed doet. Ik heb de overtuiging dat de goede bedoelingen en wil een belangrijke drijfveer vormen en tevens de basis zijn voor een, op z’n minst, afdoende moederschap. Maar geen wetenschap die dat onderbouwt.
Toch blijft de hamvraag zo nu en dan herrijzen.
Ben ik een slechte moeder als ik om 1 uur ’s nachts nog achter mijn computer zit om een leesverslag van mijn zoon uit te typen en hem behoed voor de zoveelste onvoldoende? Als ik zeg dat ze zelf naar de training moeten fietsen, terwijl de rest van het team door hun moeder met de auto wordt gebracht? Als ik een potje ‘beer-pong’ win, van mijn zoon en zijn vriendjes? Als ik een briefje schrijf met een nogal vrij vertaalde versie van de waarheid om een van de kinderen uit de brand te helpen? Als ik probeer te winnen van mijn kinderen met een spelletje? Als ik veel te tolerant ben en mijn eigen regels verloochen? Of als ik juist te ongeduldig, kort door de bocht of snel geïrriteerd ben? Als ik het zonde vind dat mijn dochter met verenigingsbier haar mooie figuur om zeep lijkt te helpen? Of mijn zoon met nietsdoen zijn complete toekomst? Als ik soms geen zin heb om te koken? Als ik me regelmatig slechts aan de schijf van drie houd en ter compensatie de fruitmand maar flink vol leg? Of als ik als een krolse leeuwin voor mijn jongen in de bres spring?
Ik ben geen hockeycoach of voetbaltrainer, rijd slechts wanneer ik op de lijst sta en zit ook niet in de ouderraad van een school. Ik heb de wijsheid over opvoeden alles behalve in pacht, maar ben wel behept met een gigantisch groot moederhart.
Het is een begin…

You only get one chance, to make a first impression!

Wat had ik veel zin in deze dag. Het was een zonnige zondag in mei, heren 1 speelde thuis en ’s middags stond er een T-dansje op het programma. Het was mijn eerste T-dansant sinds ik alleen was en dat maakte het meteen de eerste die ik bij zou kunnen wonen zonder geforceerde tijdsdruk of zinloze huwelijkscrisis nadien.
Wij moesten al vroeg hockeyen, dus van de 12 aanwezige teamleden bleef slechts de harde kern van zes meiden over, om rond drie uur ‘s middags langs de lijn te staan bij ons eerste heren team. Daar zaten we dan, in het zonnetje, een biertje in de hand en nog een hele avond voor ons. Het was ouderwets gezellig, mede dankzij het rappe tempo waarmee onze lege bierglazen een refill kregen. Tegen het einde van de wedstrijd verslapte mijn aandacht voor het spel en was mijn blik progressief gericht op de ingang van het complex. Ik keek uit naar ‘de manager van dames 1’, waar ik inmiddels, na een handje vol dates in twee maanden, smoorverliefd op was geworden.
Daar was hij eindelijk. Ik had mijn zoveelste biertje in mijn hand, hij de eerste. Hoewel het nog wat onwennig was om elkaar te spreken met sensatiebelust HC Breda om ons heen, was ik al dermate onder invloed, dat ik er behoorlijk ontspannen bij stond. We kletsten even en gingen geveinsd nonchalant met elkaar om, tot mijn kersverse scharrel verplichtingen had bij ‘zijn’ damesteam en ik me weer bij mijn inmiddels tamelijk beschonken vriendinnetjes voegde, terwijl de muziek de jofele sfeer versterkte. De zon scheen nog op het volle terras, de muziek stond lekker hard, maar het T-dansant kwam nog niet swingend op gang. Mijn twee vriendinnen en ik hadden hier echter geenszins last van in onze licht benevelde toestand, òns feestje was al in volle gang. Op het podium stonden wij ons kostelijk te vermaken met z’n drietjes. Het ontging ons volkomen dat het tafereel dat wij onbewust tentoonspreidden, voor de vele toeschouwers een slechte persiflage van Patty Brard’s reallifesoap moet hebben geleken. Tegen de tijd dat ik de tel kwijt was en de tel me feitelijk ook worst was, liep ik mijn ‘nieuwe vriendje’ weer tegen het lijf. Ik stond slechts een schamele minuut met hem te praten toen zijn dochter naast hem verscheen. Ze was iets kleiner dan ik, een mooi gezichtje en twee opvallende kijkers. Ik herkende haar meteen van de foto’s. In mijn lichtelijk aangeschoten conditie, ontging het me echter niet dat ze geschokt van mij naar haar vader keek en toen als de bliksem het hazenpad koos. Ik keek hem even aan, maar hij stond me met opgetrokken schouders en een ‘geen idee’-blik aan te kijken. Ik liep in de richting van het toilet en zag haar zitten, huilend met de arm van haar teamgenootje om haar schouders. Ik dacht dit wel ‘effe te fiksen’ en stapte met misplaatste zelfverzekerdheid op de misère af. Zodra mijn naderende gestalte werd gespot veranderde het verdrietige gezichtje in een frons en sprak ze de woorden: “Laat me asjeblieft met rust, ik zit even met een vriendin te praten, ja”. Met de staart tussen de benen droop ik, volkomen ontnuchterd, af. Voor het gemak vergat ik het voorval en werd het een legendarische avond, hangend in de balken van het clubhuis. Mijn eerste en laatste uitbundige T-dansant. Haar jongere en dito betoverende zusje beloofde me ‘dat haar zus wel bij zou draaien’. Ze had gelijk.
Maar of ik ooit nog aan dat eerste imago zal ontkomen…? Wie weet.

Kerstgroet

Heel Nederland maakt zich op voor de feestelijke dagen die in het verschiet liggen. Sterker nog, vrijwel de hele wereld is ijverig in de weer om huis en haard zo gezellig mogelijk te maken. Heerlijkheden en bergen proviand worden ingeslagen om familie, vrienden of slechts een intiem gezelschap te fêteren. Dromerige lichtjes verrijken het druilerige straatbeeld dat de witte deken mist die zich in deze tijd van het jaar over het land zou hebben moeten voltrekken. Zoetsappige feel-good-movies prijken al weken op de beeldbuis en de wereld lijkt wat milder gestemd. De tv-reclames van befaamde kruideniers geven een idyllisch paradigma weer van hoe de dagen eruit zouden kunnen zien. Dat deze euforie om uiteenlopende redenen niet voor alle families is weggelegd hoef ik, gok ik, niet nader te verklaren.
Voor iedereen die dagenlang, volgeboekt met verplichtingen, de machtige kerstdiners en andere genodigden gedogend, met enige scepsis of huiveren door moet komen, bij deze een hart onder de riem. Hoezeer we allen ons beste beentje voor willen zetten om het gemoedelijk en leuk te hebben, het biedt helaas geen garanties voor een vrome avond.
Ik gun dan ook iedereen een groot, ruimdenkend hart, een grote zak tolerantie, een paar kilo naastenliefde, liters compassie aangelengd met inlevingsvermogen en een klein beetje geduld opdat men deze veelbelovende dagen genoeglijk volbracht zullen worden. Even geen kritiek, oud zeer of ergernis, want het leven kán zo mooi zijn.

Vrolijk Kerstfeest!