Tuinvrouw

Met het oog op een naderend tuinfeest bij ons thuis, kijk ik eens kritisch naar de ooit zo keurig aangelegde tuin, die er momenteel bijligt als een afgekeurd voetbalveld in een land dat onmiskenbaar te kampen heeft met tergende droogte. Het gazon heeft slechts hier en daar een sprietje en bestaat voorts overwegend uit mos en onkruidplantjes met her en der kuilen ten gevolge van een verveelde hond. Vol in de zon bevindt zich een grote ronde cirkel, waar vorig jaar een zwembad heeft gestaan, die nu moeizaam wat groenig begint te worden. Aan de zijkanten zijn de borders gevuld met een strak frans patroon van uitgerangeerde buxus die een rigoureus bezoek heeft gehad van de plagende buxus-mot. Een zee van kronkelende rupsen vreet de arme plant kaal en de paar blaadjes die er nog aan zitten lijken zich angstvallig te camoufleren in een dorre, bruine kleur in de hoop dat het harige beest aan hen voorbij zal gaan. Het ziet er uitermate bedroevend uit en vormt niet echt een fleurig decor voor een gezellig feestje. De paar armetierige stekjes die nog enigszins blad hebben geef ik nog een kans met een chemisch goedje dat de killer-rups de das om zou moeten doen, maar de overige, kansloze bollen en haagjes werk ik zonder pardon de grond uit. Ik vergeet daarbij dat mijn smetteloos witte tuniekje niet de meest voor de hand liggende kledij voor de klus is en schrijf deze dan ook, na zes tevergeefse wasbeurten, af. De schop blijkt niet bestand tegen het contra gewicht van de grote kluiten als ik mijn lichaamsgewicht in de strijd gooi. Ik leg het werk stil voor die dag en besluit de ochtend erop verder te gaan. Met een nieuwe schop en werkbare kleding trek ik ten strijde. Het is een slagveld. Grote verminkte stukken braakliggende perk zijn nu het toonbeeld van onze tuin, afgewisseld door de sneue vlakte die wij tegen beter weten in ‘gras’ blijven noemen. Ik sloop een paar m2 van een ander plantje, dat niet lekker genoeg is gebleken voor de sliertige insecten, uit een in mijn ogen misplaatst en zinloos, rechthoekig stuk siertuin en verplaats ze naar waar voorheen de buxus een haag formeerde. Het kost een halve dag, zelfs met hulp van mijn dochter en lijkt dan nog nergens op. Maar er staat tenminste iets levends, besluit ik. Bij thuiskomst zie ik mijn vriend loom de tuin rond kijken. Ik bespeur een mengeling van amusement en moedeloosheid in zijn blik. Ik sprint naar buiten om uitleg te verschaffen bij mijn arbeid. “Je had het ook aan de tuinman over kunnen laten, die komt overmorgen voor de grote beurt.” Over morgen al? Dan heb ik nog veel werk te doen. Alle door mij leeg getrokken stukken tuinarchitectuur moet ik nog van graszoden voorzien alvorens de tuinman ziet wat ik zijn zorgvuldig ontworpen tuin heb aangedaan. Bij drie verschillende adressen halen we graszoden vandaan die plotseling vrij zeldzaam blijken te zijn. Ik rijd me een slag in de rondte, nog steeds bijgestaan door mijn dochter die mijn missie lijkt te verstaan. Het eindresultaat is groen, en daar is in feite alles mee gezegd. De verschillende grassoorten, -kleuren en diktes geven een speels effect zullen we maar zeggen.
Ik herken opeens enige gelijkenis met mijn moeder, die vroeger voorafgaand aan een bezoek van haar hulp het huis ging poetsen.
Het eindresultaat geeft weliswaar een verregaand vertekend beeld van de moeite die erin is gestopt, maar ach… tijdelijk vlondertje erover en…. Partytime!

Heuvelachtige zomertrip!

Na een tamelijk zon arme en derhalve enigszins onbevredigende Zeeuwse vakantie met een aantal van onze puberkinderen, besloten we nogal ad hoc om er een paar dagen á deux achteraan te plakken. Niet te ver en niet te duur, zo viel onze keuze op de Duitse Eifel. Het was slechts een kleine drie uurtjes rijden en we bevonden ons reeds in een volkomen andere wereld, waar zowel de lucht als het water nog natuurlijk zuiver is, vakwerkhuisjes met schattige geveltjes en lage deurtjes je doen geloven dat de mens amper langer dan één meter vijftig lang is en criminaliteit, geweld, terrorisme en vloeken niet in het woordenboek lijken voor te komen. Zelfs ‘idyllisch’ zou een te grove en barse benaming vormen voor het straatbeeld dat we daar aantroffen. In de achterbak hadden we twee mountainbikes gemanoeuvreerd die al jaren dienst doen als stoere opvulling van onze rommelige garage. Nu blijkt echter dat het bezit van een dergelijk voertuig, zelfs in het eigen brein, de indruk wekt dat je een bovengemiddeld mountainbiker bent. Dus niet gehinderd door enige oefening of ervaring met het ingewikkelde scala aan versnellingen, laat staan met het uiteenlopende en uitermate geaccidenteerde landschap, vertrokken we vol goede moed, heuvelaf in de richting van de kortste mountainbiketrack van het gebied. Nu ben ik niet uitermate getraind, maar mijn “effe doorbijten, dan hebben we het maar gehad”-mentaliteit tezamen met mijn “liever korte, hevige pijn, dan langdurig slepende..”-principe, maakte dat ik al spoedig zwetend de fiks stijgende hellingen trotseerde. Met pijn in mijn zware benen, het zweet op mijn rug en een behoorlijke dosis tegenzin, verzon ik al buffelend de meest geraffineerde smoesjes om er de brui aan te mogen geven en om te kunnen keren. Al brainstormend bereikte ik echter steeds ruimschoots als eerste de top. Achter mij kroop mijn vent in een tergend traag tempo, met een achterlijk laag verzet de helling op. Jammer dat ik mijn Sudoku-boekje niet bij me had. Berg af bleek ik minder stoer. Met een wiebelende helm door de schokkende vering op het ongelijkmatige wegdek, reed ik met angst en beven naar beneden, blij als het pad weer iets omhoog ging. Ik legde het dan ook zwaar af bij de afdalingen, waardoor ik steevast onderaan de helling op camera werd vastgelegd, met een krampachtige, angstige blik en scheef hangende helm. Ik werd echter per keer zekerder en ik wist steeds beter wat de fiets wel of niet kon hebben. Mijn rechterhand hield ik bij de vierde aftocht al iets minder stevig om de achterrem geklemd dan tevoren. Met mijn beperkte zelfvertrouwen denderde ik de rotsachtige paden af, achter mijn roekeloze vriend aan, die zich inmiddels ontpopt had tot een uitzinnige kamikaze, wars van enige angst. Tot mijn schrik stond ik plots oog in oog met een tegenligger. Ik hield toch maar even stil, aangezien ik een frontale botsing niet uitsloot met mijn ongecontroleerde laveren. Toen de man me gepasseerd was, zwoegend om de pittige stijging, realiseerde ik me pas hoe stijl mijn ondergrond was. Enigszins nerveus stapte ik weer op mijn iets te grote fiets, mijn beide handen strak om de remmen geklemd. In een onbewaakt moment liet ik per ongeluk mijn achterrem iet wat vieren waardoor de fiets sterk de neiging had voorover te duikelen. Trachtend mijn evenwicht nog net in bedwang te houden, kreeg ik de stang van het monster vol tussen mijn benen. Ik slaakte een gesmoorde pijnkreet, die de zojuist passerende man nog moet hebben waargenomen. Ik had echter geen tijd om me daar druk om te maken, aangezien mijn fiets al bonkend en hobbelend in beweging was gekomen, doordat ik van schrik en pijn de beide remmen los had gelaten. Met een zekere paniek wipte ik mezelf gaandeweg pijnlijk in het zadel om de opgelopen achterstand in te halen. Beurs doch voldaan stapte ik na dertig kilometer van de fiets, verlangend naar een koud biertje. Proost! Morgen gaan we wandelen.

Even heel wat anders…

Naarmate de jaren passeren, gaat mijn swingende gemoed simultaan in een stijgende lijn mee met mijn leeftijd. Dat wil zeggen dat ik een enigszins instabiele indruk kan maken op emotionele momenten. Ik zou deze overdonderende moodswings liever onder de noemer ‘sensitief’ of ‘medelevend’ parkeren, dan dat ik toe zou willen geven aan enigerlei vorm van toenemende labiliteit. Door mijn overmatige betrokkenheid krijg ik kippenvel op mijn armen en tranen in mijn ogen bij het minste geringste beetje geluk dat anderen overkomt en laat ik mezelf uit het veld slaan door andermans tegenslagen. Ik zou het niet als een uitermate onprettige ervaring willen bestempelen, maar merkwaardig is het wel. Enorme succesverhalen laten mijn hart een sensationeel sprongetje van vreugde of trots maken. Een jongeman uit ons ‘dorp’ die zijn gymnasium afrondt met zeven tienen, het einde van de meeste romantische komedies, medelanders die massaal hun nagels laten lakken omwille van Tijn en een vredesconcert met een zee van fiere onbeschroomden, onder leiding van Ariana Grande om keihard van repliek te dienen, in antwoord op een zinloze aanslag. Allemaal momenten die me een intense doch aangename rilling of een traan van plotselinge blije ontroering kunnen bezorgen. Mijn moeder heeft dit bij het horen van het Wilhelmus of het zien van de lokale fanfare, maar dat stadium hoop ik voorlopig niet te bereiken.
Anderzijds houden andermans verdriet, noodlot of zorgelijkheden mij ook behoorlijk bezig. Ik ben diep onder de indruk wanneer een vriendje van mijn zoon op een paar tiende blijft zitten en van school af zal moeten, een willekeurige man me op een borrel vertelt dat hij op 53 jarige leeftijd na 28 jaar dienstverband op straat is komen te staan vanwege een fusie en nu al twee jaar nutteloos thuis zit en een lief vriendinnetje de moedige strijd tegen borstkanker zal gaan leveren vanaf aanstaande dinsdag. Gisteren nam ik sprakeloos verbluft kennis van het overlijden van onze nationale held Tijn, die zijn strijd onbaatzuchtig en puur heeft gestreden voor zijn lotgenoten. Ik ervaar deze uiteenlopende tegenspoed alsof het de mijne is en zou voor allen een oplossing aan willen dragen die alles doet verdwijnen. Ik realiseer me echter dat ik zelfs binnen ons eigen gezin een ieder al met moeite kan behoeden voor eventueel leed dat hen ten deel valt en de tegenslag die ze te verwerken krijgen. Loslaten is de oplossing, zegt men, ik heb echter geen idee hoe je dat moet doen. Onlangs gaf iemand mij de tip: “Als je moeite hebt met loslaten, stop dan met vasthouden”. Dat klinkt minder moeilijk.

Zo gênant!!

Gedurende de afgelopen periode stond, om een nog vrij onduidelijke en matig onderbouwde reden, onze woning te koop. De eeuwige tweestrijd die we gezamenlijk leveren tussen blijven zitten in een fijn, ruim en prachtig gesitueerd huis én opnieuw beginnen op een prettig stekje van ons samen, houdt ons al een aardige periode letterlijk en figuurlijk bezig. De aanhoudende onwetendheid en onzekerheid zorgt voor behoorlijke innerlijke onrust. Tevens begint het steeds weer op orde brengen van het hele huis, waar zeven kinderen en vijf huisdieren geregeld ofwel continue hun intrek nemen, me flink de neus uit te komen. Aangezien mijn huishoudelijke skills wellicht enige orde missen, durf ik te beweren dat er desalniettemin de nodige structuur te ontdekken is in de aanwezige chaos. Dit wil eerlijkheidshalve zeggen, dat er dus behoorlijk wat werk aan de winkel is wanneer er gegadigden zijn om een kijkje te nemen in de kern van ons bestaan. Het heeft geen enkele zin langdurig te voren aan deze grote schoonmaak te beginnen, daar er vervolgens een spoor van verderf ontstaat als de kinderschare zich weer meldt. Ik ben dus gedoemd om ’s morgens, voorafgaand aan een bezichtiging, mezelf een slag in de rondte te ruimen en poetsen om onze leefomgeving van enig decorum te voorzien, zodat het voldoende toonbaar is voor het geplande bezoek. Zo had onze makelaar laatst weer een date met een concullega en diens clientèle bij ons thuis. Nadat ik iedereen systematisch, met brood en benodigdheden de deur uit had gewerkt, ging ik rigoureus te werk. Dat gaat bij mij zeer geroutineerd, zonder enige logische volgorde, maar uiterst functioneel. In het T-shirt waarin ik had geslapen, waaronder ik snel een spijkerbroek had aangeschoten, deed ik twee uur lang een ouderwets staaltje ’ren je rot’. Ik liep wat achter met de was, dus gooide ik een wasmand met vuile én één met schone, ongevouwen was op de achterbank van mijn auto. Losse attributen die niet op de slaapkamers van de kinderen hoorden alsmede her en der rondslingerende kledingstukken, smeet ik ongecontroleerd in willekeurige kasten, in de hoop dat de makelaar de ‘ruime inbouwkasten’ niet aan de binnenkant zou tonen. De bedden rechtgetrokken, de gordijnen open, de stofzuiger door de benedenverdieping, de zesentwintig lege shampooflessen uit de badkamer van de kinderen en de tandpasta uit hun wasbak. Nog even snel de kussens van de bank opschudden, waar de afdruk van een slungelige puber nog in stond en dan was ik bijna klaar voor vertrek. De vorige keer stond de beste man iets te vroeg voor mijn neus, dus had ik me voorgenomen een kwartier speling te nemen. Ik zette de stofzuiger terug in de kast en was nog bezig de volle vuilniszak met onregelmatigheden die op mijn pad waren gekomen, dicht te binden toen ik één van de kinderen weer binnen hoorde komen. Hij was zijn brood vergeten en zijn boek voor frans. ‘Hij heeft mijn genen’, bedacht ik beschroomd. Ik sommeerde hem zijn boel bijeen te rapen en weg te gaan voordat ‘de kijkers’ zouden komen. Ik haalde de honden anderhalf uur later dan gebruikelijk uit hun muffige hok om ze regelrecht naar mijn auto te begeleiden. Ik zou ze wel even lekker laten rennen zolang ik toch niet thuis gewenst werd. Ik graaide de vuilniszak mee en met de andere hand een plastic tas met lege flessen. “Mam, er staat iemand voor het hek”, hoorde ik mijn zoon roepen. Ik kreeg een hartverzakking toen ik door het raam naar buiten keek en het clubje mensen zag staan. Het was zelfs nog tien minuten voor het ingecalculeerde kwartier dat ik al in acht had genomen. Hijgend riep ik tegen de honden dat ze door moesten lopen. Ik schoot met mijn blote voeten in een paar bergschoenen en stapte naar buiten. Met aan weerszijde een afvalzak in mijn handen gebood ik mijn zoon in de auto te stappen. Ik deed de achterklep open, gooide de twee zakken erin en floot naar de honden, die even twijfelden bij het zien van de geringe ruimte in de achterbak. “Hup erin!” moedigde ik hen sacherijnig aan. Met onnodig veel geweld vloog de klep dicht en stapte ik, me uitermate bewust van de toeschouwers, mijn ongekamde, verwarde haren, mijn loshangende veters en het gemis van mijn beha, zo snel mogelijk in de auto. Het hek was inmiddels open en met gezwinde spoed sjeesde ik, hevig gegeneerd, achteruit het pad af. Ik deed mijn raam open en en passant riep ik naar buiten: “U kunt naar binnen gaan hoor, mevrouw is ook al vertrokken”.

Alzheimer light?

Voor de derde keer loop ik de bijkeuken in en staar wanhopig de ruimte rond. Wat kwam ik hier nou toch ook alweer doen? Geërgerd om mezelf, maar tegelijkertijd bezorgd om deze tijdelijke schijnbare black-out, draai ik me weer om naar de deur, waarbij mijn oog op een koelelement valt, dat al zeker vier maanden op de droger is blijven liggen. “O ja, de vriezer. Ik moest brood uit de vriezer halen”. Opgelucht en dankbaar voor de plotselinge, heldere ingeving haal ik een bevroren halfje wit uit de kast en loop weer naar de keuken. Mijn telefoon gaat. “Waar had ik die nu toch gelaten?” mijmer ik in mezelf. Ik ga op de ringtoon af die vanuit de woonkamer lijkt te komen, maar ik ben te laat. De beller heeft het al opgegeven. Toch moet dat apparaat hier ergens liggen. Ik zoek me suf, tussen de kussens van de bank, op mijn bureautje, in mijn tas, jaszak en tussen de post. Ik weet het echt niet meer, dus gris ik de handset van de vaste lijn uit de lader en kies mijn mobiele nummer. Ik hoor het irritante deuntje uit een hoek van de kamer komen, waardoor mijn geheugen me weer weet te vertellen dat ik het ding bij thuiskomst daar aan de oplader had gelegd. Ik check de gemiste oproep en krijg een hartverzakking bij het zien van het nummer. Het was de tandarts. Ik had een afspraak, twintig minuten geleden. Met het schaamrood op mijn kaken bel ik zo snel mogelijk de assistente terug om me te verontschuldigen voor het feit dat ik deze nieuwe afspraak, die ik nota bene had gepland ter vervanging van de vorige die me was ontschoten, nu ook was vergeten. Vriendelijk helpt de assistente me aan een herkansing. Ik hang op en zak gegeneerd op de bank. Eén van onze viervoeters komt op me af en duwt haar snuit onder mijn arm in de hoop een aai te kunnen krijgen. “Nee, nu even niet Moos. Euh Nouk”. Het beest druipt teleurgesteld af en ik realiseer me dat het Loula was. Ik haal steevast alle namen door elkaar en merk dat ik de moeite niet eens meer neem om de juiste naam bij het betreffende dier te roepen. Het voordeel is nu dat ze alle drie naar alle namen luisteren, maar geen idee meer lijken te hebben wie, wie is. Ik vrees dat ik hetzelfde bij mijn kinderen doe. Echter zij zijn gelukkig bij machte hun eigen naam te onthouden en mijn vergissing te negeren en meestal mijn boodschap ook trouwens. Zodra mijn dochter uit school komt en op de bank neerploft, kijkt ze quasi verbaasd naar het halfje wit dat op de grond naast de bank ligt, waar ik mijn telefoon heb gezocht eerder vandaag. Inmiddels is men al dermate aan mijn haperende brein gewend geraakt, dat als ik ’s avonds aan tafel om de hagelslag vraag, ik de appelmoes zwijgend aangereikt krijg. Meestal komt namelijk het aantal lettergrepen redelijk overeen. Namen van acteurs, zangers en films komen pas uren later tevoorschijn, wanneer die informatie uitermate nutteloos is geworden. Ik sta zorgvuldig een boodschappenlijstje op te stellen omdat de supermarkt met haar overweldigende hoeveelheid prikkels, niet de rust biedt om ter plekke na te kunnen denken. Zelfs mét lijstje wil ik nog wel eens een ingrediënt vergeten dat ik heb zien staan, wilde pakken, maar abusievelijk achterlaat omdat er iemand achter me, “Hé Bar!” tegen me zegt. Met mijn memoblaadje en mijn portemonnee in de hand zoek ik mijn autosleutels. Nergens te vinden. Misschien boven. Ik gooi de spullen die ik in vast heb neer en ren de trap op. Ook daar niet. Ik loop weer naar beneden en kijk of mijn sleutelbos wellicht in de keuken is blijven liggen. Jawel, daar liggen ze. Deze keer niet in de koelkast. Ik loop naar de deur. “Waar had ik mijn portemonnee?” Wanhopig begin ik naar het essentiële voorwerp voor deze missie te zoeken, dat al expres van een ‘niet te missen’-formaat is. Jawel, ook die is weer terecht. Ik blijf me afvragen waarom ik continu mijn spullen neerleg op de meest on-voordehand liggende plekken. Ik loop buiten mijn zoon tegen het lijf. “He mam, ga je boodschappen doen?” Ik houd de gigantische shopper die ik in mijn hand heb omhoog ter bevestiging. “Wil je dan deo voor me meenemen?” vraagt hij. Ik knik. “Geen gel nodig?”, roep ik nog net voor hij het huis binnen stapt. “Nee, die heb ik nog genoeg” antwoordt hij en zwaait. Als ik thuiskom kijkt hij me enigszins moedeloos aan als ik twee potten gel in zijn handen duw. Misschien toch eens wat rust creëren in dit chaotische brein!

Zomerkriebels

Wat een zaligheid, dat het warme zomerweer zich zo nu en dan weer even laat zien en voelen.’s Morgens beginnen de vogels al weer vroeg te fluiten. Een euforisch, natuurlijk en romantisch geluid, ware het niet dat ik ook midden in de winter wakker wordt van een nagenoeg zelfde mengeling van vogelzang dat mijn wake-up light iedere morgen door onze slaapkamer hoont. Om vijf uur in de ochtend, wanneer het lichte schijnsel van de morgenstond langs de gordijnen piept, zwaai ik wild met mijn arm in de richting van mijn wekker om de kwetterende vogels tot zwijgen te krijgen. Na vier brute pogingen, die het apparaat nauwelijks ongeschonden weet te doorstaan, realiseer ik me dat dit de vogeltjes buiten in de tuin zijn, die via het openstaande raam, op een ongenadig vroeg tijdstip, mijn nachtrust beëindigen. Het is voor mij vervolgens onmogelijk om door het lieflijk getwitter van de gevederde diertjes heen te slapen, aangezien mijn brein dit geluid het hele jaar door refereert aan tientallen alarmbellen om mezelf tijdig onder de wol vandaan te krijgen. Maar als je dan eenmaal opstaat, dat gordijn open schuift en tegen een strakblauwe hemel aankijkt, blijft er spontaan een glimlach op je gezicht plakken. Deze glimlach houdt echter moeizaam stand wanneer ik naar beneden kijk en mijn blik het aanzicht van onze gehavende grasmat vangt. De zanderige pollenmat die ik al een aantal seizoenen achtereen tracht terug te transformeren tot het gezonde, vruchtbare gazon dat het huis ooit eer aan deed, toen we er met mijn vier achteloze kinderen en twee roekeloze honden introkken, ligt er treurig bij. Ik zucht slechts een keer. Ik besluit mijn eeuwige spijkerbroek te vervangen voor een wat dunner katoenen exemplaar en een luchtig T-shirtje vanwege de zomer in mijn bol. Fluitend haal ik het tweetal viervoeters uit hun hok, die nóg enthousiaster lijken nu de zon schijnt. Ze stormen zij aan zij door de openstaande deur het huis binnen, waarbij ze met hun grove geweld de sponning er haast uit lopen. Ik wandel mijn geijkte rondje over een dijkje met bomen aan de ene zijde en een flinke stroom aan de andere. Het is er altijd al prachtig maar nu loop ik door een sprookje. Het gras is hier wel flink gegroeid de laatste week, dus ik moet behoorlijk ploeteren door de nog dauwnatte gewassen. Mijn zomerse sneakers zijn inmiddels doorweekt. Ik werp een blik op de moeder eend die al weken met haar vijf jongen in een slinger achter zich aan, door het water paradeert en constateer weemoedig dat ze er al twee van de vijf kwijt is. Ik baan me weer een weg door de inmiddels dijbeen hoge brandnetels, die door mijn katoentje heen, aardig venijnige prikkels veroorzaken. Ik verlang naar mijn dikke spijkerbroek en mijn leren laarzen. Hoewel het nog vroeg is, voelt de warme lentezon al behoorlijk zomers aan. Mijn huid begint klammig aan te voelen door de benauwde lucht en mijn T-shirt plakt tegen mijn lijf. Onopgemerkt loop ik door een zwerm vliegjes heen die met hun uitermate fragile vleugeltjes op mijn natte huid blijven kleven en hier met geen mogelijkheid levend vanaf komen. Vervolgens gooi ik een paar keer met een stok in het verkoelende water voor de honden en zou inmiddels willen dat ik er zelf achteraan kon duiken. De jongste van de twee ontdekt echter plots de moeder eend en galoppeert door het ondiepe water in haar richting. Luid kwakend verandert de arme watervogel haar koers en de drie kuikens haasten zich zigzaggend achter haar aan om haar niet kwijt te raken. De domste van het stel zwemt volkomen de verkeerde kant op, merk ik geërgerd op. Na vier keer hysterisch de naam van mijn ongehoorzame hond te roepen, krijs ik nu dat ze ‘hierrrrr’ moet komen. Verassend genoeg kijkt ze me een moment verbaasd aan, waardoor het verloren kuiken kans ziet weer in het gareel te raken. Na nog een spijtige blik op het donzige drietal, komt mijn ‘killer’ gelukkig mijn kant op. Mijn keel doet zeer van het schreeuwen. Ik haal opgelucht, diep adem en voel de voorjaarspluisjes mijn luchtpijp inschieten, waardoor ik in een onbedaarlijke hoestbui verzand. Mijn ochtend wandeling was een kleine desillusie. De honden blijven lekker in de tuin met hun natte vacht, besluit ik. Jammer genoeg realiseer ik me, dat ik het net gewassen beddengoed heerlijk buiten in het zonnetje heb hangen, pas nadat ik het duo zichzelf uit zie schudden om zich te ontdoen van het bruinige slootwater.
Ik moet nog een beetje wennen aan de zomer.

Miskleun pur sang

Het was geen handige actie, ik geef het toe. Voor een feestje had ik een lange, feestelijk jurk nodig en wegens chronisch geld- en tijdgebrek besloot ik deze online te bestellen. Gehaast, omdat het zoekwerk me toch al heel wat uren had gekost, bestelde ik een elegant exemplaar met een lage rug en een prachtig ‘trompetmodel’ onderkant. Volgens de maattabel en nauwkeurig nameten bleek ik een ‘size 8’ te moeten bestellen. Eigenwijs en rebels als ik ben, klikte ik de ‘size 6’ aan en bestelde de jurk. Toen ik de betaling had gedaan ging ik nog even terug naar de foto van het 1m80 lange, slanke model in mijn dress to be. Mijn oog viel op de lengte en ik bedacht dat het ding bij mij zeer waarschijnlijk rijkelijk over de vloer zou dweilen. Ik zou ‘m wel korter later maken, stelde ik mezelf gerust. Vlak voordat ik de pagina weg klikte zag ik een optie om aangepaste maten door de geven. Ik ook altijd met mijn haastige spoed. Ik wachtte weken in spanning op het pronkstuk dat in mijn gedachte steeds mooier werd. Hoewel ik een grote doos had verwacht, verscheen vorige week de plastic zak, dichtgeplakt met plakband. De jurk zat binnenstebuiten opgevouwen, dus ik kon nog niet meteen een oordeel vellen. Ik vouwde hem uit en vond de kleur enigszins goedkoop overkomen. Wellicht viel het mee als ik erin zat, bemoedigde ik mezelf. Ik staarde gedesillusioneerd naar mijn carnavaleske spiegelbeeld. Niet alleen was het ding veel te lang, de ‘size 6′ die mij eigenlijk veel te strak en sexy om mijn lijf had moeten zitten, leek zowaar uit de positiekledinglijn van de Primark te zijn gekomen. Ik trok de met kant bekleedde aardappelzak weer uit, stopte het ding teleurgesteld in de plasticzak terug en begon de retourvoorwaarden globaal te bekijken. De kleine lettertjes kwamen er in grote lijnen op neer dat retourneren nimmer mogelijk was, tenzij ik een verkeerd of kapot artikel had ontvangen. De rigoureuze tip van mijn jongste dochter, die mij veelzeggend fronsend had bekeken in het lelijke gewaad, om de jurk gewoon kapot te scheuren en dan terug te sturen, om zodoende aan de beperkte voorwaarden te voldoen, nam ik uiteraard niet eens in overweging. Ik wikkelde de centimeter om mijn heupen, taille en buste en fotografeerde de omvang in centimeters. Ook trok ik nogmaals mijn miskoop aan en maakte ook daar een confronterende foto van, die moest gaan bewijzen dat deze jurk minstens een ruime maat 10 was qua afmetingen. Ik schreef een uitgebreid epistel naar hen, ter onderbouwing van de foto’s en over de foutieve levering en het in gebreke blijven van het bedrijf door deze slecht geproduceerde order. Spoedig ontving ik een weinig bevredigend antwoord in tenenkrommend Engels. Ik kon een nieuwe jurk bestellen met 20% korting of ik kreeg 10% van de aankoop waarde retour. En als kers op de taart, mocht ik het foeilelijke ding houden. Stoom spoot uit mijn oren. Wat dachten zij? Dat ik nogmaals zo’n stupide vergissing zou maken. Of dat ik akkoord zou gaan met het schamele retourbedrag dat de verzendkosten niet eens dekte? En wat moest ik in vredesnaam met deze fabricagefout in mijn kast? Een ferme brief van mijn kant zou hen wel eens laten weten wat ik ervan vond. Enfin, pas tergend veel ergernis en 7 mailwisselingen verder, waarbij ik steeds 10% meer terug kon krijgen, was hun limit bereikt en zat er duidelijk geen rek meer in de inferieure service van het vage postorderbedrijf waar ik het land van herkomst niet eens heb kunnen ontcijferen. Ik accepteerde mijn geringe verlies, in de hoop dat ik er misschien nog iets van zou leren. Wellicht vind ik nog een enthousiasteling die deze jurk wel past en ook nog mooi vind, op marktplaats. Weer een lesje rijker.

Echte man

Afgelopen week, op een gezellig terras in de bosrijke omgeving van de lokale midgetgolfbaan, zat ik met een clubje hockeymoeders aan een grote picknicktafel te kletsen. Het beoogde teamuitje voor onze jonge dames, die het rondje golf af hadden geraffeld om de speeltuin onveilig te maken, verzandde al snel in een gezellige borrel voor de uiteenlopende groep ouders, waar geen kind meer aan te pas kwam. Druppelsgewijs kwam een ieder binnenvallen en sloot naadloos aan bij de bitterballen. De groep groeide gestaag, dus zodra de tafel naast ons vrij kwam, vertrok het plukje vaders daarheen. Hoe opmerkelijk het ook is, de ‘praat’ leek direct een andere wending te krijgen. Herkenbaar, walgelijk, maar stiekem heerlijk. Van de meest recente roddels kwamen we via een aantal enorm praktische, bruikbare tips, die ik meteen aan mijn notities heb toegevoegd, bij mannen. De geijkte clichés kwamen natuurlijk aan bod.
‘Zeurt die van jullie ook zo over de rommel in onze auto? Tja met die kruimelende kinderen met modderschoenen, fietsen, honden en kerstbomen….’
‘De mijne komt altijd met zo’n praktische oplossing wanneer je slechts behoefte hebt aan een knuffel en een aai over je bol’.
Er wordt heftig mee geknikt.
‘Als hij zegt dat hij van me houdt, wil hij in feite gewoon sex’.
De dames liggen voorover op de ranzige tafel van het lachen.
‘Mannen doen precies wat je ze vraagt, maar als ze het zelf aan moeten voelen, kun je lang wachten’.
‘Op zondag confiskeert hij de televisie om sport te kunnen kijken en vervolgens ligt hij binnen twee minuten een ronkend geluid te produceren met zijn ogen dicht’.
‘Jaaa, die van mij ook’, roept de dame tegenover mij.
Ook de wc-bril, het dopje van de tandpasta, de chaos in de keuken als hij kookt en de geringe huishoudelijke taken die hij verricht kwamen uiteraard voorbij. Ik kon jammer genoeg niet alles beamen, want ik hoef nooit een bril naar beneden te doen, ík krijg juist te horen dat ik het dopje van de tandpasta vergeten ben, strijken doet mijn vriend sneller en beter dan ik en de keuken is onberispelijk tot op het autistische af wanneer hij kookt. Wijselijk hield ik mijn mond en gierde en knikte heftig mee waar wél van toepassing.
Naarmate een ieder aan het derde drankje zat werden de voorbeelden platter.
Een aantal meisjes was inmiddels voor ranja en chips aan komen waaien. ‘Zieke mannen’ waren op dat moment onderwerp van gesprek. ‘Dan is hij verkouden en dan moet de hele apotheek leeggehaald worden, de thee, crackertjes en honing is niet aan te slepen en hij ligt theatraal met een kruik op de bank. Terwijl ik gewoonweg geen tijd heb om ziek te zijn. Ik loop met 39 graden koorts boodschappen te doen en sta te koken voor het gezin om vervolgens ’s nachts uit te zieken, nadat ik de achterstallige was heb gevouwen’, zegt één van de moeders, gemaakt boos. Er wordt hard gelachen en de herkenbaarheid druipt er bij velen vanaf.
Plotseling klonk het naast me: ‘John is nooit ziek, die gaat altijd gewoon naar zijn werk’, gevolgd door een oorverdovend gekraak van een flinke hap chips. Mijn dochter vond het kennelijk nodig haar bijdrage te leveren. De dames bleven een moment angstvallig stil en keken me vragend aan. ‘Ja, dat is wel zo’, gaf ik toe. ‘Hij gaat eerder doodziek werken en gaat nadien meteen naar bed, zonder iets te willen.’ moest ik bekennen.
‘Hij vindt winkelen ook helemaal niet erg’, klonk het bijna verbaasd uit mijn eigen mond. Het bleef geruisloos, op het stoïcijns kauwen op de krokante aardappelvariant van mijn dochter en het monotone geroezemoes van de lage mannenstemmen verderop na.
Zij dachten het, maar spraken het niet uit. En ik kwam, als getroffen door de bliksem, tot de confronterende conclusie dat de man waarmee ik samenleef, lief, leed en bed deel en al vier jaar knetter verliefd op ben, dus eigenlijk geen échte man is.

Hoezo service?

Chaotisch als ik ben, constateerde ik afgelopen week dat er al vele maanden een telefoonverzekering van mijn beide jongens bij me wordt afgeschreven, die bij mijn weten een dag na de aankoop van het onding al stopgezet hadden moeten zijn. Dat dit niet naar behoren was gebeurd en mijn beide mannen, zo bleek later, een mailtje naar een no reply-adres van de verzekeringsmaatschappij hadden gestuurd, heb ik uiteraard vervloekt. Ik kwam er al spoedig achter dat de doortastendheid van een luie puber sowieso niet voldoende toereikend zou zijn geweest voor de hardnekkigheid van dergelijke instanties. Vol moed zocht ik de internetpagina van de desbetreffende telefoonverzekeringsmaatschappij op in de hoop gewoonweg een telefoonnummer te kunnen bemachtigen, dat ik simpelweg kon bellen om de boel te annuleren. Na vier keer ‘contact’ te kiezen en vervolgens bij ‘klantenservice’ voor opzeggen te hebben gekozen kwam de mededeling tevoorschijn dat ik hier online op kon zeggen. Ik koos uiteraard voor het woordje hier waarachter, tot mijn teleurstelling, zo’n jammerlijke pagina met een error verscheen. Nog naïef in de veronderstelling dat het aan mijn laptop of onze internetverbinding lag, herhaalde ik de ganse riedel nogmaals, om uiteindelijk weer dezelfde error in beeld te zien verschijnen. Opnieuw struinde ik de pagina af naar een telefoonnummer en kwam er zowaar één tegen. Weliswaar niet op de pagina van de verzekeringsmaatschappij, echter van de provider van het abonnement, in de hoop hier iemand te kunnen spreken die wellicht een antwoord had op mijn inmiddels brandende vraag. Via het eindeloze keuzemenu baande ik mij een weg naar de juiste dame of heer die mij van mijn verzekeringen af kon helpen. Tot slot, bij de zevende serie keuzes: Kies 1. als het gaat om een factuur, kies 2. als het gaat om een achterstallige betaling, kies 3. als u uw rekeningnummer wilt wijzigen of kies 4. om terug te keren naar het hoofdmenu. Mijn hersenen ratelden om een spoedige keuze te maken uit deze vier opties, die in feite geen van allen aan mijn verwachting voldeden, dus koos ik optie 4. om er niet wéér voortijdig uitgegooid te worden als ik te lang wachtte. Het hele hoofdmenu nogmaals beluisterend kwam ik bij dezelfde vier mogelijkheden en koos vervolgens, enigszins met tegenzin, voor 1. Het was tenslotte een factuur. De vriendelijke, doch inmiddels irritante vrouwenstem verwees mij vervolgens naar de website, waar ik in kon loggen met mijn eigen account en inzage had in alle facturen. De verbinding werd verbroken. Nu ben ik geen fan van callcenters, maar een klantenservice waar je überhaupt niemand aan de telefoon kunt krijgen is voor een digibeet als ikzelf uitermate frustreren. Dan bel ik nog liever naar een callcenter, waarbij je de verkregen informatie echter sterk in twijfel dient te trekken en nooit echt serieus kunt nemen, aangezien werkelijk iedereen met een stem, enige kennis van de Nederlandse taal, doch zonder enige kennis van zaken, daar achter een telefoon terecht kan. Inmiddels heb ik daar mijn eigen weg in gevonden. Ik bel minimaal driemaal met dezelfde vraag, in de hoop op zijn minst twee maal hetzelfde antwoord te krijgen. Pas dan durf ik met enige zekerheid aan te nemen dat de verkregen informatie juist is. Normaliter ben ik niet zo argwanend en ook best goedgelovig, maar de frequentie waarmee mij in het verleden werd medegedeeld: “Dan heeft mijn collega u niet juist voorgelicht” en ik dus mijn neus reeds had gestoten, deed mij overgaan tot deze neurotische en tijdrovende informatiecontrole. Conclusie: Ik betaal voorlopig de verzekering van de beide telefoons dus nog maar even gewoon door, in de hoop dat er binnenkort toch één in een toiletpot valt. Wanneer ik de moed weer bijeen heb geraapt om de frustraties te trotseren die erbij gepaard gaan, zal ik het nog eens proberen.

 

Heb jij dat ook?

Hoe opmerkelijk is het toch, dat je zo vaak mensen spreekt die dezelfde irritaties en ergernissen hebben ten opzichte van bepaalde kenmerkende gedragingen van mensen in het algemeen. Dat je steeds weer bijval vindt in je, wellicht intolerante, opvattingen en men altijd exact dezelfde mening is toegedaan. En dat terwijl je toch zou zeggen dat je ook eens iemand tegen het lijf zou moeten lopen van het soort waaráán je juist zo gruwelijk aanstoot kunt nemen en een zinloze discussie moet krijgen over de tegenstrijdige opinie over die typerende gedragingen, maar dat gebeurt dus in feite nooit. Zo is mijn irritatielevel voornamelijk in groeps-apps spoedig bereikt. Het liefst zou ik dergelijke intieme massamedia mijden, ware het niet dat het om praktische redenen bijna onmogelijk is je hiervan te distantiëren. Ik houd er dan ook van als de beheerder van zo’n groep informatie rondstuurt en reacties buiten de groep om worden  gegeven. Duidelijk en zonder poespas. Slechts wanneer het strikt noodzakelijk of werkelijk van toegevoegde waarde is, begrijp ik dat een reactie naar allen in de app, of ‘reply to all’ in een mail, een juiste keuze kan zijn. Jammer genoeg is dit zelden het geval. Uit pure noodzaak had ik vorig jaar een behoorlijk aantal groeps-apps, waar ik echt niet omheen kon. De team-apps van mijn jongste drie kinderen, de klassenapp van groep 8 en mijn eigen team-app en zo nu en dan word ik plots nog een aan een tijdelijk app toegevoegd voor een evenement, verjaardagsfeest of een bijbehorende ‘kado-app’. Tot op heden heb ik de ergernis kunnen onderdrukken en de vraag ingeslikt hoe het in vredesnaam mogelijk is, dat na de vraag: “Wie kan er a.s. zaterdag rijden?” er steevast, minimaal driekwart van de gebruikers een reactie stuurt met “Ik niet!”. Na de vierde begin ik met mijn ogen te draaien, maar na de achtste krijg ik de neiging de goegemeente eens ernstig toe te spreken en te confronteren met hun non communicatie. Oké, ik geef toe dat het wellicht wenselijk is om te weten dat er mensen zijn die niet in de gelegenheid zijn, zodat er eventueel alternatieven geregeld moeten worden, maar graag pas wanneer een ieder in de gelegenheid is geweest om in zijn of haar agenda te kijken en er een reële kans bestaat dat men positief heeft kunnen reageren. Negen van de tien keer zijn er namelijk voldoende positieve reacties, zodat er meer dan genoeg auto’s beschikbaar zijn op die zaterdag. Dat zou mij dan ook direct de frustratie besparen om venijnig terug te gaan typen: “Volgens mij vroeg ze wie er WÈL kon rijden!!!”, maar nog net op tijd weer weet te verwijderen. Wie ik ook spreek, men heeft ditzelfde ook al meegemaakt en tot nu toe heb ik nog nooit iemand horen zeggen dit niet ergerlijk te vinden. Nooit tref ik iemand die zegt: “O, maar dat is toch juist wel prettig, of gezellig”, die 54 gemiste appjes zonder inhoud, die ik noodgedwongen door moet scrollen omdat halverwege wel eens een bericht van de beheerder annex coach zou kunnen staan met zinnige teksten. Waar zijn dan die mensen die dit wel doen, spreek ik die dan net toevalligerwijs niet? Of zouden we onszelf niet bewust zijn van onze eigen onnozelheden en ons allemaal aan elkaar ergeren zonder zelfreflectie. Ik vind het een frappante gewaarwording. Ook bemerkte ik in de groepsapp van het hockeyteam van mijn zoon, wanneer er een principiële discussie tussen de moeders op gang komt, waarbij een ieder op starre wijze slechts oog blijkt te hebben voor hun eigen kind en omstandigheden, de vaders uit plaatsvervangende schaamte, bij bosjes uit de app stappen. Die doen dat dan ook gewoon. Ik moet daar stiekem wel om grinniken. Tegelijkertijd realiseer ik me echter dat ik er ook wel uit zou willen, maar we dan geen informatie meer door krijgen, dus ik beter braaf kan blijven waar ik zit. Dat er zo nu en dan een appje van een moeder verschijnt, over een spugend kind dat derhalve niet naar de donderdagavond-training kan komen, terwijl de trainer niet eens in de groep is opgenomen vind ik enigszins onbegrijpelijk, maar de invasie ‘beterschappen’ die vervolgens de groep terroriseert is het toppunt van zinloos geweld. Ik koester nog altijd de hoop dat de eerste die zo’n appje leest en de drang niet kan onderdrukken iets terug te schrijven, namens iedereen een bericht stuurt; ‘beterschap namens ons allen!’ Iedere week verscheen er tegen etenstijd in mijn teamapp een berichtje van een teamgenoot die overduidelijk geen zin meer had om zich in haar trainingsbroek te hijsen, laat staan de koude avondlucht te trotseren, met de woorden: “Wordt er nog getraind?” “Tuurlijk wordt er getraind! Waarom zou er niet worden getraind?”, riep ik dan tegen mijn beeldscherm. Iedere week kwam deze vraag en als ik niet rap genoeg was met mijn stellige antwoord dan waren er al vijf afmeldingen naar aanleiding van deze insinuerende vraag. Uit de summiere statistieken van slechts ons veteranen-team blijkt dat de drempel om zonder enig excuus af te haken aanzienlijk daalt wanneer anderen je voor zijn gegaan met hun afmelding. De groepsapp werd dan ook het einde van onze trainingsavond. De meest schrijnende van allemaal was de app ter ere van de 50-ste verjaardag van een vriendinnetje. Een groep van zo’n vijfentwintig vrouwen in één app. Een enorm leuke uitnodiging verscheen, met het verzoek te laten weten of je erbij zou zijn. Uiteraard, ook omdat het sociaal wenselijk is, reageerden alle 25, hetzij positief, hetzij negatief, ín de groep. Inmiddels ben ik dermate geadapteerd dat ik me hier gedwee bij neer kan leggen. Na een aantal weken kwam echter een verdrietig bericht in de app, over nare familieomstandigheden van onze ‘sara in spé’ die een uitstel van haar feestje eisten. Je raadt het al. Zeer invoelende en meelevende berichten, ik moet het een ieder nageven, overspoelden de app. De ontegenzeglijk goedbedoelde tranentrekkers overtroefden elkaar en ontwikkelden zich tot ware poëzie. Ik had mijn medeleven al aan haar persoonlijk gemeld, dus had mijn creativiteit niet meer op de groep los kunnen laten al had ik dat gewild. Nee, nu wist ik het zeker, dergelijke persoonlijke, intieme berichten wilde ik niet in zo’n groep delen. Het voelde alsof ik stiekem in hun dagboek had gekeken. Alle overdadige felicitaties, afmeldingen en beterschapswensen uit het verleden, zelfs de misplaatste redenen en smoezen om aan te geven waaróm je op zaterdag niet kunt rijden, die mij sowieso niets aangaan en werkelijk niemand een kont kunnen schelen, bleken plots een stuk minder ongemakkelijk. In dezelfde adem bedenk ik schromelijk dat mijn ruimdenkendheid wellicht te wensen overlaat. Dat ík het anders zou doen is nog geen garantie dat al het andere ongepast of verkeerd zou zijn. Dat ik me erover opwind, laat ik gewoon bij mijzelf en schrijf ik indien nodig, lekker van me af. ☺