Alzheimer light?

Voor de derde keer loop ik de bijkeuken in en staar wanhopig de ruimte rond. Wat kwam ik hier nou toch ook alweer doen? Geërgerd om mezelf, maar tegelijkertijd bezorgd om deze tijdelijke schijnbare black-out, draai ik me weer om naar de deur, waarbij mijn oog op een koelelement valt, dat al zeker vier maanden op de droger is blijven liggen. “O ja, de vriezer. Ik moest brood uit de vriezer halen”. Opgelucht en dankbaar voor de plotselinge, heldere ingeving haal ik een bevroren halfje wit uit de kast en loop weer naar de keuken. Mijn telefoon gaat. “Waar had ik die nu toch gelaten?” mijmer ik in mezelf. Ik ga op de ringtoon af die vanuit de woonkamer lijkt te komen, maar ik ben te laat. De beller heeft het al opgegeven. Toch moet dat apparaat hier ergens liggen. Ik zoek me suf, tussen de kussens van de bank, op mijn bureautje, in mijn tas, jaszak en tussen de post. Ik weet het echt niet meer, dus gris ik de handset van de vaste lijn uit de lader en kies mijn mobiele nummer. Ik hoor het irritante deuntje uit een hoek van de kamer komen, waardoor mijn geheugen me weer weet te vertellen dat ik het ding bij thuiskomst daar aan de oplader had gelegd. Ik check de gemiste oproep en krijg een hartverzakking bij het zien van het nummer. Het was de tandarts. Ik had een afspraak, twintig minuten geleden. Met het schaamrood op mijn kaken bel ik zo snel mogelijk de assistente terug om me te verontschuldigen voor het feit dat ik deze nieuwe afspraak, die ik nota bene had gepland ter vervanging van de vorige die me was ontschoten, nu ook was vergeten. Vriendelijk helpt de assistente me aan een herkansing. Ik hang op en zak gegeneerd op de bank. Eén van onze viervoeters komt op me af en duwt haar snuit onder mijn arm in de hoop een aai te kunnen krijgen. “Nee, nu even niet Moos. Euh Nouk”. Het beest druipt teleurgesteld af en ik realiseer me dat het Loula was. Ik haal steevast alle namen door elkaar en merk dat ik de moeite niet eens meer neem om de juiste naam bij het betreffende dier te roepen. Het voordeel is nu dat ze alle drie naar alle namen luisteren, maar geen idee meer lijken te hebben wie, wie is. Ik vrees dat ik hetzelfde bij mijn kinderen doe. Echter zij zijn gelukkig bij machte hun eigen naam te onthouden en mijn vergissing te negeren en meestal mijn boodschap ook trouwens. Zodra mijn dochter uit school komt en op de bank neerploft, kijkt ze quasi verbaasd naar het halfje wit dat op de grond naast de bank ligt, waar ik mijn telefoon heb gezocht eerder vandaag. Inmiddels is men al dermate aan mijn haperende brein gewend geraakt, dat als ik ’s avonds aan tafel om de hagelslag vraag, ik de appelmoes zwijgend aangereikt krijg. Meestal komt namelijk het aantal lettergrepen redelijk overeen. Namen van acteurs, zangers en films komen pas uren later tevoorschijn, wanneer die informatie uitermate nutteloos is geworden. Ik sta zorgvuldig een boodschappenlijstje op te stellen omdat de supermarkt met haar overweldigende hoeveelheid prikkels, niet de rust biedt om ter plekke na te kunnen denken. Zelfs mét lijstje wil ik nog wel eens een ingrediënt vergeten dat ik heb zien staan, wilde pakken, maar abusievelijk achterlaat omdat er iemand achter me, “Hé Bar!” tegen me zegt. Met mijn memoblaadje en mijn portemonnee in de hand zoek ik mijn autosleutels. Nergens te vinden. Misschien boven. Ik gooi de spullen die ik in vast heb neer en ren de trap op. Ook daar niet. Ik loop weer naar beneden en kijk of mijn sleutelbos wellicht in de keuken is blijven liggen. Jawel, daar liggen ze. Deze keer niet in de koelkast. Ik loop naar de deur. “Waar had ik mijn portemonnee?” Wanhopig begin ik naar het essentiële voorwerp voor deze missie te zoeken, dat al expres van een ‘niet te missen’-formaat is. Jawel, ook die is weer terecht. Ik blijf me afvragen waarom ik continu mijn spullen neerleg op de meest on-voordehand liggende plekken. Ik loop buiten mijn zoon tegen het lijf. “He mam, ga je boodschappen doen?” Ik houd de gigantische shopper die ik in mijn hand heb omhoog ter bevestiging. “Wil je dan deo voor me meenemen?” vraagt hij. Ik knik. “Geen gel nodig?”, roep ik nog net voor hij het huis binnen stapt. “Nee, die heb ik nog genoeg” antwoordt hij en zwaait. Als ik thuiskom kijkt hij me enigszins moedeloos aan als ik twee potten gel in zijn handen duw. Misschien toch eens wat rust creëren in dit chaotische brein!

Zomerkriebels

Wat een zaligheid, dat het warme zomerweer zich zo nu en dan weer even laat zien en voelen.’s Morgens beginnen de vogels al weer vroeg te fluiten. Een euforisch, natuurlijk en romantisch geluid, ware het niet dat ik ook midden in de winter wakker wordt van een nagenoeg zelfde mengeling van vogelzang dat mijn wake-up light iedere morgen door onze slaapkamer hoont. Om vijf uur in de ochtend, wanneer het lichte schijnsel van de morgenstond langs de gordijnen piept, zwaai ik wild met mijn arm in de richting van mijn wekker om de kwetterende vogels tot zwijgen te krijgen. Na vier brute pogingen, die het apparaat nauwelijks ongeschonden weet te doorstaan, realiseer ik me dat dit de vogeltjes buiten in de tuin zijn, die via het openstaande raam, op een ongenadig vroeg tijdstip, mijn nachtrust beëindigen. Het is voor mij vervolgens onmogelijk om door het lieflijk getwitter van de gevederde diertjes heen te slapen, aangezien mijn brein dit geluid het hele jaar door refereert aan tientallen alarmbellen om mezelf tijdig onder de wol vandaan te krijgen. Maar als je dan eenmaal opstaat, dat gordijn open schuift en tegen een strakblauwe hemel aankijkt, blijft er spontaan een glimlach op je gezicht plakken. Deze glimlach houdt echter moeizaam stand wanneer ik naar beneden kijk en mijn blik het aanzicht van onze gehavende grasmat vangt. De zanderige pollenmat die ik al een aantal seizoenen achtereen tracht terug te transformeren tot het gezonde, vruchtbare gazon dat het huis ooit eer aan deed, toen we er met mijn vier achteloze kinderen en twee roekeloze honden introkken, ligt er treurig bij. Ik zucht slechts een keer. Ik besluit mijn eeuwige spijkerbroek te vervangen voor een wat dunner katoenen exemplaar en een luchtig T-shirtje vanwege de zomer in mijn bol. Fluitend haal ik het tweetal viervoeters uit hun hok, die nóg enthousiaster lijken nu de zon schijnt. Ze stormen zij aan zij door de openstaande deur het huis binnen, waarbij ze met hun grove geweld de sponning er haast uit lopen. Ik wandel mijn geijkte rondje over een dijkje met bomen aan de ene zijde en een flinke stroom aan de andere. Het is er altijd al prachtig maar nu loop ik door een sprookje. Het gras is hier wel flink gegroeid de laatste week, dus ik moet behoorlijk ploeteren door de nog dauwnatte gewassen. Mijn zomerse sneakers zijn inmiddels doorweekt. Ik werp een blik op de moeder eend die al weken met haar vijf jongen in een slinger achter zich aan, door het water paradeert en constateer weemoedig dat ze er al twee van de vijf kwijt is. Ik baan me weer een weg door de inmiddels dijbeen hoge brandnetels, die door mijn katoentje heen, aardig venijnige prikkels veroorzaken. Ik verlang naar mijn dikke spijkerbroek en mijn leren laarzen. Hoewel het nog vroeg is, voelt de warme lentezon al behoorlijk zomers aan. Mijn huid begint klammig aan te voelen door de benauwde lucht en mijn T-shirt plakt tegen mijn lijf. Onopgemerkt loop ik door een zwerm vliegjes heen die met hun uitermate fragile vleugeltjes op mijn natte huid blijven kleven en hier met geen mogelijkheid levend vanaf komen. Vervolgens gooi ik een paar keer met een stok in het verkoelende water voor de honden en zou inmiddels willen dat ik er zelf achteraan kon duiken. De jongste van de twee ontdekt echter plots de moeder eend en galoppeert door het ondiepe water in haar richting. Luid kwakend verandert de arme watervogel haar koers en de drie kuikens haasten zich zigzaggend achter haar aan om haar niet kwijt te raken. De domste van het stel zwemt volkomen de verkeerde kant op, merk ik geërgerd op. Na vier keer hysterisch de naam van mijn ongehoorzame hond te roepen, krijs ik nu dat ze ‘hierrrrr’ moet komen. Verassend genoeg kijkt ze me een moment verbaasd aan, waardoor het verloren kuiken kans ziet weer in het gareel te raken. Na nog een spijtige blik op het donzige drietal, komt mijn ‘killer’ gelukkig mijn kant op. Mijn keel doet zeer van het schreeuwen. Ik haal opgelucht, diep adem en voel de voorjaarspluisjes mijn luchtpijp inschieten, waardoor ik in een onbedaarlijke hoestbui verzand. Mijn ochtend wandeling was een kleine desillusie. De honden blijven lekker in de tuin met hun natte vacht, besluit ik. Jammer genoeg realiseer ik me, dat ik het net gewassen beddengoed heerlijk buiten in het zonnetje heb hangen, pas nadat ik het duo zichzelf uit zie schudden om zich te ontdoen van het bruinige slootwater.
Ik moet nog een beetje wennen aan de zomer.

Miskleun pur sang

Het was geen handige actie, ik geef het toe. Voor een feestje had ik een lange, feestelijk jurk nodig en wegens chronisch geld- en tijdgebrek besloot ik deze online te bestellen. Gehaast, omdat het zoekwerk me toch al heel wat uren had gekost, bestelde ik een elegant exemplaar met een lage rug en een prachtig ‘trompetmodel’ onderkant. Volgens de maattabel en nauwkeurig nameten bleek ik een ‘size 8’ te moeten bestellen. Eigenwijs en rebels als ik ben, klikte ik de ‘size 6’ aan en bestelde de jurk. Toen ik de betaling had gedaan ging ik nog even terug naar de foto van het 1m80 lange, slanke model in mijn dress to be. Mijn oog viel op de lengte en ik bedacht dat het ding bij mij zeer waarschijnlijk rijkelijk over de vloer zou dweilen. Ik zou ‘m wel korter later maken, stelde ik mezelf gerust. Vlak voordat ik de pagina weg klikte zag ik een optie om aangepaste maten door de geven. Ik ook altijd met mijn haastige spoed. Ik wachtte weken in spanning op het pronkstuk dat in mijn gedachte steeds mooier werd. Hoewel ik een grote doos had verwacht, verscheen vorige week de plastic zak, dichtgeplakt met plakband. De jurk zat binnenstebuiten opgevouwen, dus ik kon nog niet meteen een oordeel vellen. Ik vouwde hem uit en vond de kleur enigszins goedkoop overkomen. Wellicht viel het mee als ik erin zat, bemoedigde ik mezelf. Ik staarde gedesillusioneerd naar mijn carnavaleske spiegelbeeld. Niet alleen was het ding veel te lang, de ‘size 6′ die mij eigenlijk veel te strak en sexy om mijn lijf had moeten zitten, leek zowaar uit de positiekledinglijn van de Primark te zijn gekomen. Ik trok de met kant bekleedde aardappelzak weer uit, stopte het ding teleurgesteld in de plasticzak terug en begon de retourvoorwaarden globaal te bekijken. De kleine lettertjes kwamen er in grote lijnen op neer dat retourneren nimmer mogelijk was, tenzij ik een verkeerd of kapot artikel had ontvangen. De rigoureuze tip van mijn jongste dochter, die mij veelzeggend fronsend had bekeken in het lelijke gewaad, om de jurk gewoon kapot te scheuren en dan terug te sturen, om zodoende aan de beperkte voorwaarden te voldoen, nam ik uiteraard niet eens in overweging. Ik wikkelde de centimeter om mijn heupen, taille en buste en fotografeerde de omvang in centimeters. Ook trok ik nogmaals mijn miskoop aan en maakte ook daar een confronterende foto van, die moest gaan bewijzen dat deze jurk minstens een ruime maat 10 was qua afmetingen. Ik schreef een uitgebreid epistel naar hen, ter onderbouwing van de foto’s en over de foutieve levering en het in gebreke blijven van het bedrijf door deze slecht geproduceerde order. Spoedig ontving ik een weinig bevredigend antwoord in tenenkrommend Engels. Ik kon een nieuwe jurk bestellen met 20% korting of ik kreeg 10% van de aankoop waarde retour. En als kers op de taart, mocht ik het foeilelijke ding houden. Stoom spoot uit mijn oren. Wat dachten zij? Dat ik nogmaals zo’n stupide vergissing zou maken. Of dat ik akkoord zou gaan met het schamele retourbedrag dat de verzendkosten niet eens dekte? En wat moest ik in vredesnaam met deze fabricagefout in mijn kast? Een ferme brief van mijn kant zou hen wel eens laten weten wat ik ervan vond. Enfin, pas tergend veel ergernis en 7 mailwisselingen verder, waarbij ik steeds 10% meer terug kon krijgen, was hun limit bereikt en zat er duidelijk geen rek meer in de inferieure service van het vage postorderbedrijf waar ik het land van herkomst niet eens heb kunnen ontcijferen. Ik accepteerde mijn geringe verlies, in de hoop dat ik er misschien nog iets van zou leren. Wellicht vind ik nog een enthousiasteling die deze jurk wel past en ook nog mooi vind, op marktplaats. Weer een lesje rijker.

Echte man

Afgelopen week, op een gezellig terras in de bosrijke omgeving van de lokale midgetgolfbaan, zat ik met een clubje hockeymoeders aan een grote picknicktafel te kletsen. Het beoogde teamuitje voor onze jonge dames, die het rondje golf af hadden geraffeld om de speeltuin onveilig te maken, verzandde al snel in een gezellige borrel voor de uiteenlopende groep ouders, waar geen kind meer aan te pas kwam. Druppelsgewijs kwam een ieder binnenvallen en sloot naadloos aan bij de bitterballen. De groep groeide gestaag, dus zodra de tafel naast ons vrij kwam, vertrok het plukje vaders daarheen. Hoe opmerkelijk het ook is, de ‘praat’ leek direct een andere wending te krijgen. Herkenbaar, walgelijk, maar stiekem heerlijk. Van de meest recente roddels kwamen we via een aantal enorm praktische, bruikbare tips, die ik meteen aan mijn notities heb toegevoegd, bij mannen. De geijkte clichés kwamen natuurlijk aan bod.
‘Zeurt die van jullie ook zo over de rommel in onze auto? Tja met die kruimelende kinderen met modderschoenen, fietsen, honden en kerstbomen….’
‘De mijne komt altijd met zo’n praktische oplossing wanneer je slechts behoefte hebt aan een knuffel en een aai over je bol’.
Er wordt heftig mee geknikt.
‘Als hij zegt dat hij van me houdt, wil hij in feite gewoon sex’.
De dames liggen voorover op de ranzige tafel van het lachen.
‘Mannen doen precies wat je ze vraagt, maar als ze het zelf aan moeten voelen, kun je lang wachten’.
‘Op zondag confiskeert hij de televisie om sport te kunnen kijken en vervolgens ligt hij binnen twee minuten een ronkend geluid te produceren met zijn ogen dicht’.
‘Jaaa, die van mij ook’, roept de dame tegenover mij.
Ook de wc-bril, het dopje van de tandpasta, de chaos in de keuken als hij kookt en de geringe huishoudelijke taken die hij verricht kwamen uiteraard voorbij. Ik kon jammer genoeg niet alles beamen, want ik hoef nooit een bril naar beneden te doen, ík krijg juist te horen dat ik het dopje van de tandpasta vergeten ben, strijken doet mijn vriend sneller en beter dan ik en de keuken is onberispelijk tot op het autistische af wanneer hij kookt. Wijselijk hield ik mijn mond en gierde en knikte heftig mee waar wél van toepassing.
Naarmate een ieder aan het derde drankje zat werden de voorbeelden platter.
Een aantal meisjes was inmiddels voor ranja en chips aan komen waaien. ‘Zieke mannen’ waren op dat moment onderwerp van gesprek. ‘Dan is hij verkouden en dan moet de hele apotheek leeggehaald worden, de thee, crackertjes en honing is niet aan te slepen en hij ligt theatraal met een kruik op de bank. Terwijl ik gewoonweg geen tijd heb om ziek te zijn. Ik loop met 39 graden koorts boodschappen te doen en sta te koken voor het gezin om vervolgens ’s nachts uit te zieken, nadat ik de achterstallige was heb gevouwen’, zegt één van de moeders, gemaakt boos. Er wordt hard gelachen en de herkenbaarheid druipt er bij velen vanaf.
Plotseling klonk het naast me: ‘John is nooit ziek, die gaat altijd gewoon naar zijn werk’, gevolgd door een oorverdovend gekraak van een flinke hap chips. Mijn dochter vond het kennelijk nodig haar bijdrage te leveren. De dames bleven een moment angstvallig stil en keken me vragend aan. ‘Ja, dat is wel zo’, gaf ik toe. ‘Hij gaat eerder doodziek werken en gaat nadien meteen naar bed, zonder iets te willen.’ moest ik bekennen.
‘Hij vindt winkelen ook helemaal niet erg’, klonk het bijna verbaasd uit mijn eigen mond. Het bleef geruisloos, op het stoïcijns kauwen op de krokante aardappelvariant van mijn dochter en het monotone geroezemoes van de lage mannenstemmen verderop na.
Zij dachten het, maar spraken het niet uit. En ik kwam, als getroffen door de bliksem, tot de confronterende conclusie dat de man waarmee ik samenleef, lief, leed en bed deel en al vier jaar knetter verliefd op ben, dus eigenlijk geen échte man is.

Hoezo service?

Chaotisch als ik ben, constateerde ik afgelopen week dat er al vele maanden een telefoonverzekering van mijn beide jongens bij me wordt afgeschreven, die bij mijn weten een dag na de aankoop van het onding al stopgezet hadden moeten zijn. Dat dit niet naar behoren was gebeurd en mijn beide mannen, zo bleek later, een mailtje naar een no reply-adres van de verzekeringsmaatschappij hadden gestuurd, heb ik uiteraard vervloekt. Ik kwam er al spoedig achter dat de doortastendheid van een luie puber sowieso niet voldoende toereikend zou zijn geweest voor de hardnekkigheid van dergelijke instanties. Vol moed zocht ik de internetpagina van de desbetreffende telefoonverzekeringsmaatschappij op in de hoop gewoonweg een telefoonnummer te kunnen bemachtigen, dat ik simpelweg kon bellen om de boel te annuleren. Na vier keer ‘contact’ te kiezen en vervolgens bij ‘klantenservice’ voor opzeggen te hebben gekozen kwam de mededeling tevoorschijn dat ik hier online op kon zeggen. Ik koos uiteraard voor het woordje hier waarachter, tot mijn teleurstelling, zo’n jammerlijke pagina met een error verscheen. Nog naïef in de veronderstelling dat het aan mijn laptop of onze internetverbinding lag, herhaalde ik de ganse riedel nogmaals, om uiteindelijk weer dezelfde error in beeld te zien verschijnen. Opnieuw struinde ik de pagina af naar een telefoonnummer en kwam er zowaar één tegen. Weliswaar niet op de pagina van de verzekeringsmaatschappij, echter van de provider van het abonnement, in de hoop hier iemand te kunnen spreken die wellicht een antwoord had op mijn inmiddels brandende vraag. Via het eindeloze keuzemenu baande ik mij een weg naar de juiste dame of heer die mij van mijn verzekeringen af kon helpen. Tot slot, bij de zevende serie keuzes: Kies 1. als het gaat om een factuur, kies 2. als het gaat om een achterstallige betaling, kies 3. als u uw rekeningnummer wilt wijzigen of kies 4. om terug te keren naar het hoofdmenu. Mijn hersenen ratelden om een spoedige keuze te maken uit deze vier opties, die in feite geen van allen aan mijn verwachting voldeden, dus koos ik optie 4. om er niet wéér voortijdig uitgegooid te worden als ik te lang wachtte. Het hele hoofdmenu nogmaals beluisterend kwam ik bij dezelfde vier mogelijkheden en koos vervolgens, enigszins met tegenzin, voor 1. Het was tenslotte een factuur. De vriendelijke, doch inmiddels irritante vrouwenstem verwees mij vervolgens naar de website, waar ik in kon loggen met mijn eigen account en inzage had in alle facturen. De verbinding werd verbroken. Nu ben ik geen fan van callcenters, maar een klantenservice waar je überhaupt niemand aan de telefoon kunt krijgen is voor een digibeet als ikzelf uitermate frustreren. Dan bel ik nog liever naar een callcenter, waarbij je de verkregen informatie echter sterk in twijfel dient te trekken en nooit echt serieus kunt nemen, aangezien werkelijk iedereen met een stem, enige kennis van de Nederlandse taal, doch zonder enige kennis van zaken, daar achter een telefoon terecht kan. Inmiddels heb ik daar mijn eigen weg in gevonden. Ik bel minimaal driemaal met dezelfde vraag, in de hoop op zijn minst twee maal hetzelfde antwoord te krijgen. Pas dan durf ik met enige zekerheid aan te nemen dat de verkregen informatie juist is. Normaliter ben ik niet zo argwanend en ook best goedgelovig, maar de frequentie waarmee mij in het verleden werd medegedeeld: “Dan heeft mijn collega u niet juist voorgelicht” en ik dus mijn neus reeds had gestoten, deed mij overgaan tot deze neurotische en tijdrovende informatiecontrole. Conclusie: Ik betaal voorlopig de verzekering van de beide telefoons dus nog maar even gewoon door, in de hoop dat er binnenkort toch één in een toiletpot valt. Wanneer ik de moed weer bijeen heb geraapt om de frustraties te trotseren die erbij gepaard gaan, zal ik het nog eens proberen.

 

Heb jij dat ook?

Hoe opmerkelijk is het toch, dat je zo vaak mensen spreekt die dezelfde irritaties en ergernissen hebben ten opzichte van bepaalde kenmerkende gedragingen van mensen in het algemeen. Dat je steeds weer bijval vindt in je, wellicht intolerante, opvattingen en men altijd exact dezelfde mening is toegedaan. En dat terwijl je toch zou zeggen dat je ook eens iemand tegen het lijf zou moeten lopen van het soort waaráán je juist zo gruwelijk aanstoot kunt nemen en een zinloze discussie moet krijgen over de tegenstrijdige opinie over die typerende gedragingen, maar dat gebeurt dus in feite nooit. Zo is mijn irritatielevel voornamelijk in groeps-apps spoedig bereikt. Het liefst zou ik dergelijke intieme massamedia mijden, ware het niet dat het om praktische redenen bijna onmogelijk is je hiervan te distantiëren. Ik houd er dan ook van als de beheerder van zo’n groep informatie rondstuurt en reacties buiten de groep om worden  gegeven. Duidelijk en zonder poespas. Slechts wanneer het strikt noodzakelijk of werkelijk van toegevoegde waarde is, begrijp ik dat een reactie naar allen in de app, of ‘reply to all’ in een mail, een juiste keuze kan zijn. Jammer genoeg is dit zelden het geval. Uit pure noodzaak had ik vorig jaar een behoorlijk aantal groeps-apps, waar ik echt niet omheen kon. De team-apps van mijn jongste drie kinderen, de klassenapp van groep 8 en mijn eigen team-app en zo nu en dan word ik plots nog een aan een tijdelijk app toegevoegd voor een evenement, verjaardagsfeest of een bijbehorende ‘kado-app’. Tot op heden heb ik de ergernis kunnen onderdrukken en de vraag ingeslikt hoe het in vredesnaam mogelijk is, dat na de vraag: “Wie kan er a.s. zaterdag rijden?” er steevast, minimaal driekwart van de gebruikers een reactie stuurt met “Ik niet!”. Na de vierde begin ik met mijn ogen te draaien, maar na de achtste krijg ik de neiging de goegemeente eens ernstig toe te spreken en te confronteren met hun non communicatie. Oké, ik geef toe dat het wellicht wenselijk is om te weten dat er mensen zijn die niet in de gelegenheid zijn, zodat er eventueel alternatieven geregeld moeten worden, maar graag pas wanneer een ieder in de gelegenheid is geweest om in zijn of haar agenda te kijken en er een reële kans bestaat dat men positief heeft kunnen reageren. Negen van de tien keer zijn er namelijk voldoende positieve reacties, zodat er meer dan genoeg auto’s beschikbaar zijn op die zaterdag. Dat zou mij dan ook direct de frustratie besparen om venijnig terug te gaan typen: “Volgens mij vroeg ze wie er WÈL kon rijden!!!”, maar nog net op tijd weer weet te verwijderen. Wie ik ook spreek, men heeft ditzelfde ook al meegemaakt en tot nu toe heb ik nog nooit iemand horen zeggen dit niet ergerlijk te vinden. Nooit tref ik iemand die zegt: “O, maar dat is toch juist wel prettig, of gezellig”, die 54 gemiste appjes zonder inhoud, die ik noodgedwongen door moet scrollen omdat halverwege wel eens een bericht van de beheerder annex coach zou kunnen staan met zinnige teksten. Waar zijn dan die mensen die dit wel doen, spreek ik die dan net toevalligerwijs niet? Of zouden we onszelf niet bewust zijn van onze eigen onnozelheden en ons allemaal aan elkaar ergeren zonder zelfreflectie. Ik vind het een frappante gewaarwording. Ook bemerkte ik in de groepsapp van het hockeyteam van mijn zoon, wanneer er een principiële discussie tussen de moeders op gang komt, waarbij een ieder op starre wijze slechts oog blijkt te hebben voor hun eigen kind en omstandigheden, de vaders uit plaatsvervangende schaamte, bij bosjes uit de app stappen. Die doen dat dan ook gewoon. Ik moet daar stiekem wel om grinniken. Tegelijkertijd realiseer ik me echter dat ik er ook wel uit zou willen, maar we dan geen informatie meer door krijgen, dus ik beter braaf kan blijven waar ik zit. Dat er zo nu en dan een appje van een moeder verschijnt, over een spugend kind dat derhalve niet naar de donderdagavond-training kan komen, terwijl de trainer niet eens in de groep is opgenomen vind ik enigszins onbegrijpelijk, maar de invasie ‘beterschappen’ die vervolgens de groep terroriseert is het toppunt van zinloos geweld. Ik koester nog altijd de hoop dat de eerste die zo’n appje leest en de drang niet kan onderdrukken iets terug te schrijven, namens iedereen een bericht stuurt; ‘beterschap namens ons allen!’ Iedere week verscheen er tegen etenstijd in mijn teamapp een berichtje van een teamgenoot die overduidelijk geen zin meer had om zich in haar trainingsbroek te hijsen, laat staan de koude avondlucht te trotseren, met de woorden: “Wordt er nog getraind?” “Tuurlijk wordt er getraind! Waarom zou er niet worden getraind?”, riep ik dan tegen mijn beeldscherm. Iedere week kwam deze vraag en als ik niet rap genoeg was met mijn stellige antwoord dan waren er al vijf afmeldingen naar aanleiding van deze insinuerende vraag. Uit de summiere statistieken van slechts ons veteranen-team blijkt dat de drempel om zonder enig excuus af te haken aanzienlijk daalt wanneer anderen je voor zijn gegaan met hun afmelding. De groepsapp werd dan ook het einde van onze trainingsavond. De meest schrijnende van allemaal was de app ter ere van de 50-ste verjaardag van een vriendinnetje. Een groep van zo’n vijfentwintig vrouwen in één app. Een enorm leuke uitnodiging verscheen, met het verzoek te laten weten of je erbij zou zijn. Uiteraard, ook omdat het sociaal wenselijk is, reageerden alle 25, hetzij positief, hetzij negatief, ín de groep. Inmiddels ben ik dermate geadapteerd dat ik me hier gedwee bij neer kan leggen. Na een aantal weken kwam echter een verdrietig bericht in de app, over nare familieomstandigheden van onze ‘sara in spé’ die een uitstel van haar feestje eisten. Je raadt het al. Zeer invoelende en meelevende berichten, ik moet het een ieder nageven, overspoelden de app. De ontegenzeglijk goedbedoelde tranentrekkers overtroefden elkaar en ontwikkelden zich tot ware poëzie. Ik had mijn medeleven al aan haar persoonlijk gemeld, dus had mijn creativiteit niet meer op de groep los kunnen laten al had ik dat gewild. Nee, nu wist ik het zeker, dergelijke persoonlijke, intieme berichten wilde ik niet in zo’n groep delen. Het voelde alsof ik stiekem in hun dagboek had gekeken. Alle overdadige felicitaties, afmeldingen en beterschapswensen uit het verleden, zelfs de misplaatste redenen en smoezen om aan te geven waaróm je op zaterdag niet kunt rijden, die mij sowieso niets aangaan en werkelijk niemand een kont kunnen schelen, bleken plots een stuk minder ongemakkelijk. In dezelfde adem bedenk ik schromelijk dat mijn ruimdenkendheid wellicht te wensen overlaat. Dat ík het anders zou doen is nog geen garantie dat al het andere ongepast of verkeerd zou zijn. Dat ik me erover opwind, laat ik gewoon bij mijzelf en schrijf ik indien nodig, lekker van me af. ☺

Rutte, doen we nog een rondje?

Met een mengeling van verwondering, ongenoegen en zelfs herkenning heb ik het RTL-lijsttrekkersdebat zitten aanschouwen. Zonder enorm op de inhoud van de contrasten tussen de partijen in te gaan en daarmee menigeen mijn politieke voorkeur op te dringen, moet me toch wat van het hart. Hoewel ik het enerzijds erg spijtig vond dat onze eigen premier niet van de partij bleek te zijn, ben ik anderzijds de mening toegedaan dat zo’n RTL-studio wellicht ook niet de meest deugdelijke setting voor een man als Mark Rutte is. Daarvoor is hij toch veel te normaal gebleven? De vermakelijke klucht die Wilders echter weg had kunnen geven wanneer hij ten tonele was verschenen, zou de kijkcijfers zeker hebben vermenigvuldigd. Gekenmerkt door zijn choquerende uitlatingen, afgewisseld met wollige teksten die ongekend veel over zijn kapsel zeggen, maar des te minder politiek inhoudelijk weer geven, weet hij toch behoorlijk verdienstelijk mee te dingen. Petje af overigens voor de vijf heren politici die zich wel in het hol van de leeuw hebben begeven en een pittig staaltje twisten met een glimlach lieten zien. De oplopende, doch begrensde discussies geven mij altijd een wat ongemakkelijk gevoel. Ik geloof dat ik de banale schreeuwpartijen en tactische loeren die men elkaar draait bij Expeditie Robinson als minder gênant ervaar. Het duurde tamelijk lang alvorens ik voor mezelf op een rijtje had waar die plaatsvervangende gene vandaan kwam, maar opeens wist ik het. Dat hele debat deed me verdacht veel denken aan de laatste lange maanden van mijn stukgelopen huwelijk. Hadden onze vijf wannabe premiers binnen de vier muren van een huiskamer dit keurige dispuut gevoerd, zoals ik dat met mijn ex deed, dan was het RTL programma wellicht een duplicaat van het ongeciviliseerde tv-drama “Get the fuck out of my house’ geworden. Men zou in dat geval wel een aanmerkelijk reëler beeld van de onderlinge onenigheden hebben gekregen. Mogelijk een aanzet voor over vier jaar, met de naam “Get the fuck out of my country”. Maar daar is waarschijnlijk al patent op aangevraagd door de befaamde, overzeese grondleggers van dit idee, Trump en Clinton. De ingehouden verwijten aan elkaars adres, de verwerpingen van elkaars oplossingen, maar bovenal de begeerte het gelijk te halen, waren een verbijsterende déjà vu. Ook de onmogelijke wens om gezamenlijk tot een utopische slotsom te komen en dat alles onder leiding van een neutrale partij die je, net als je lekker op dreef bent, de mond denkt te moeten snoeren, was uitermate herkenbaar. De rol van Frits Wester was onmiskenbaar een persiflage op onze mediator. Zogenaamd objectief en onpartijdig, maar ondertussen. Naast deze openbaring, kwam bij mij tevens meer helderheid in de komende verkiezingen tot stand. Bijvoorbeeld dat Roemer zo nu en dan waarachtig best iets zinnigs kan zeggen. Het is alleen een extra moeilijkheid om door het carnavaleske uiterlijk en dito accent van de SP-leider heen te luisteren. Asscher lijkt me een zeer meegaand en vredelievend man. Veel te lief eigenlijk voor de politiek en ook veel te zoetsappig voor een PvdA-man. Ik zie hem dan ook meer ‘All you need is love’ presenteren. Buma was juist in de oppositie van toegevoegde waarde bevestigde hij zelf, wellicht een eerbare plek die hij zou moeten blijven ambiëren. Mochten de CDA-stemmers in groten getale toenemen, dan zou een mooie rol voor hem zijn weggelegd als rechtschapen sidekick van de toekomstige premier. Klaver is te ambitieus en zijn partij met hem. Prima knul, maar moet eerst met de beentjes op de grond. Pechtold stak, met zijn alerte blik en snelle reactie, volgens de kijker boven de rest uit. Tja die man kan inderdaad aardig debatteren, maar is dat de meest waardevolle eigenschap om over ons oranje vaderland te kunnen regeren? Vijf latente kandidaten voor een coalitie, om ons trotse land verbonden, sterker en gezonder te maken. Welke samenstelling er gevormd gaat worden, vooral de kiezer zal het zeggen. We zouden er wellicht echter goed aan doen om minstens nog een rondje met onze vertrouwde, optimistische Mark Rutte door te gaan doen. Het gaat beter met ons land, ‘why change a winning team?’ Laten we in godsnaam het vertrouwde, vriendelijke en gemoedelijke visitekaartje naar de rest van de wereld, waar al zo veel choquerende veranderingen gaande zijn geweest, voorlopig behouden. Onze Mark staat tenslotte consistent zijn mannetje in de wereldtop en is tegelijkertijd ook zo prettig één van ons gebleven. Succes bij de stembus!

< 18 NIX, ook geen IPhone!

Meer dan wekelijks word ik geconfronteerd met sinistere artikelen, programma’s en onderzoekverslagen waaruit blijkt hoe zorgelijk slecht de mobiele telefoon in meerdere opzichten is voor de volksgezondheid. Ettelijke pogingen, als opvoedkundig leek, om mijn puberende kinderen hiervan te vergewissen worden stoïcijns door de toehoorders in de wind geslagen. Diverse malen trachtte ik regels in te voeren en aan te scherpen om het gebruik van die duivelse dingen te reduceren. En dan was mijn grootste bezwaar dat het huiswerk eronder zou lijden of nachtelijke appsessies voor oververmoeidheid zouden kunnen zorgen. Ik kon de vergaande gevolgen nog niet eens bevroeden. Dat de elektromagnetische straling die deze onruststokers verspreiden, kankerverwekkend zou kunnen zijn, is niet keihard bewezen, maar toch minstens uiterst aannemelijk. Dat het voor concentratiestoornissen bij kinderen en vermoedelijk ook volwassenen zou zorgen, verbaast geen mens. De warme straling heeft zijn uitwerking op het lichaamsweefsel en zou tot gevolg kunnen hebben dat tumoren ontspruiten en de hormoonhuishouding sterk wordt ontregeld. Toenemende hoofdpijnklachten zijn evenredig aan de groeiende omzetcijfers van de gsm-aanbieders. De continue, penetrante digitale prikkels van het relatief onschuldig ogende stukje mechaniek leiden af, verstompen en zijn een surrogaat voor menig humane vorm van sociale interactie en communicatie. Bewezen is dat de generatie jeugd, die van jongs af aan met het gemak van de IPhone, of iedere willekeurige variant hierop, is opgegroeid, een gering besef heeft van wat verveling of eenzaamheid eigenlijk is. Twee ogenschijnlijk negatieve belevingen die echter voor de ontwikkeling van iedere puber buitengewoon essentieel zijn. Onophoudelijk ín contact met de rest van de wereld en uít contact met jezelf. De opkomst van ‘social media’ was een uitkomst, maar sinds het zich transformeerde, van een middel om efficiënt met elkaar in contact te komen tot een verkapte vorm van utopische exhibitionisme, is ook de evolutie van de mensheid hieraan onderhevig. Niet alleen denk ik dat de mens over een paar decennia geboren wordt met een usb aansluiting in de navel, ook de psychische gevolgen zijn nu al zichtbaar aan de orde. Niet voor niets kan jeugdzorg de aanwassende proporties depressieve kinderen niet meer aan. Ook hierover kan ik overigens een twintigtal blogs schrijven, maar daar ging het nu niet over. Maken we ons druk over de gevolgen van bier op zestienjarige leeftijd? Sigaretten kopen mag ook pas vanaf achttien jaar. Maar dat onze kinderen hun hersenen, vruchtbaarheid en persoonlijkheid naar de verdoemenis helpen met zo’n ‘fijne telefoon’ om hun leeftijdgenoten te kunnen appen of snapchatten, terwijl ze naast elkaar staan of om elkaar te stalken op Instagram, vinden we de normaalste zaak van de wereld. Ik zou bijna zeggen, doe de leeftijd van dat gezellige biertje in godsnaam weer naar 16 en fabriceer een verantwoord mobieltje voor onder de 18, dat desnoods slechts maximaal twee uur per dag bedrijvig kan zijn.

Welke politieke partij zou zich hier hard voor willen maken? Mijn stem hebben ze!

First Blog

Compleet gedesillusioneerd zit ik eindelijk mijn beoogde doel ten uitvoer te brengen; Bloggen. Alvorens ik echter zover was dat ik daadwerkelijk aan het schrijven van mijn eerste blog toekwam, ben ik uit pure wanhoop niet ver verwijderd geraakt van de lokale PAAZ-afdeling. Nu ben ik naar mijn eigen mening niet uitermate dom. Ik ben volgens mij een bovengemiddeld realistische, volwassen vrouw, ik heb een blik verruimende baan en vier ondernemende pubers, dus sta ik midden in het leven zou je zeggen. Waarom het mij dan niet lukt een simpel domein van Strato werkend te krijgen, frustreert mij meer dan mateloos. Mijn laptop was toch al niet meer de beste, dus dat ik deze hysterisch door de kamer slingerde, nadat ik reeds anderhalf uur, zonder succes, naar een blauw gemarkeerd “Starten” op zoek was om mijn pagina te bouwen, was niet mijn grootste tegenslag die dag. Mijn eigenwaarde had inmiddels een immense deuk opgelopen en steeds als ik mijn eigen silhouet in het beeldscherm zag weerspiegelen, zag ik tot mijn ergernis mijn moeder zitten. Wat een nachtmerrie. De drukkende pijn op mijn slapen en tussen mijn ogen probeerde ik neurotisch weg te slikken met een derde tweetal paracetamol, maar daar had ik mijn probleem niet mee opgelost. Geheel tegen mijn ietwat geëmancipeerde principes in, vroeg ik mijn zoon me te helpen bij deze tergende breinbreker. De ziedend vloekende weergave van mijn alter-ego die ik zojuist de vrije loop had gelaten deed hem echter vermoeden dat ik hem als een mals lammetje zou gaan verslinden en dus besluiten mijn verzoek vriendelijk doch dringend af te wijzen. Ik graaide de splinternieuwe laptop van mijn dochter uit haar heiligdom, waar ze braaf aan haar huiswerk zat. Ze draaide zich om en had me resoluut weerhouden van deze toe-eigening, ware het niet dat mijn vuurspugende ogen deden veronderstellen dat ze mijn repliek niet ongeschonden zou doorstaan, dus lachte ze liefjes en keerde zich weer naar haar wiskundesommen. Onderaan de trap stonden twee paar donkerbruine hondenogen mij wanhopig smekend aan te kijken, wat mij eraan herinnerde dat ik, in beslag genomen door mijn onkunde en vertwijfeling, een paar uur geleden al met hen aan de wandel had gemoeten. Niet alleen om hen, maar het was voor mijn gemoed wellicht ook beter geweest. Jammerlijk was ik nog niet voldoende bedaard om dit inzicht kracht bij te zetten, dus ik stapte half over, half langs de beide hondenkoppen en riep een verbeten: “Opzouten, ik heb vandaag écht geen tijd voor jullie!” Bijna hijgend zat ik vervolgens achter mijn dochters laptop waarvan ik het wachtwoord niet bleek te weten. Ik klapte het scherm dicht en liet mijn hoofd voorover op het zacht zoemende apparaat vallen. Ik overwoog een moment in tranen uit te barsten, maar mijn boosheid zat nog te veel in de weg om het zelfmedelijden toe te laten. Ik sloot mijn ogen en bleef zeker een aantal minuten roerloos zitten. Opgeschrikt door een piepje op mijn mobiel, opende ik mijn ogen en tilde ik moeizaam mijn hoofd de lucht in. Een appje van mijn dochter: ‘ww: hallokris’. Daar knapte ik wonderbaarlijk van op, het zat even mee. Ik startte het ding op, negeerde de oerkreet van mijn andere zoon die zojuist uit school was gekomen en mijn laptop total loss op de woonkamervloer zag liggen en ging opnieuw naar de link die Strato mij per mail had gestuurd. Ik besloot de hulp van een expert in te roepen en belde het nummer van de klantenservice van Strato, in de hoop dat de computernerd die aan de andere kant van de lijn zat, zich in zou kunnen leven in de problematiek van een ultieme digibeet met een ad hoc gebrek aan zelfbeheersing. Er is nog veel onduidelijk en het gaat nog veel ergernis kosten alvorens ik slechts dat geringe beetje onder de knie heb dat ik nodig heb, maar ik heb zowaar mijn blog geplaatst.