Waardig afscheid

Warme herinneringen komen bovendrijven wanneer ik naar de foto kijk die wij uitkozen om op de kist te zetten van mijn lieve schoonmoeder, die deze maand op 95 jarige leeftijd, ten gevolge van de griep, vredig en in volkomen berusting is ingeslapen.
Een warmhartig, oprecht mens, met de benijdbare gave een ieder te bekoren die in haar leven voorbij kwam.

Mijn eerste ontmoeting met haar staat nog scherp op mijn netvlies.
De zenuwen gierden door mijn lijf toen ik de moeder van mijn kersverse vriend zou gaan ontmoeten.
Mijn vriend was tenslotte in mijn ogen een redelijk stijve, ogenschijnlijk gedistingeerde, wat zelfingenomen man en bovendien enig overgebleven zoon, dus ik kon een aardige voorstelling maken van deze oudere dame.
Met een steen in mijn maag volgde ik mijn vriend, stapte het appartement in het verzorgingshuis binnen en zag haar staan. Ze kwam amper tot zijn schouder, had een roze hesje aan met een kleurrijk bloesje eronder. Op haar bril droeg ze een gele zonnefilter die ze omhoog had staan.
Ze kreeg een kus van haar zoon, die ze met beide handen bij zijn wangen greep. “Hé ventje”, klonk het enthousiast door in haar broos krakende stem.
“Kijk eens wie ik meegenomen heb, Ma!” zei mijn vriend alsof hij een puppie voor haar had gekocht.
Ze draaide haar hoofd en keek me met een stralend gezicht aan. Héhéhéhéhéééé, wat leuk dat je er bent, Barbara. Ze pakte mijn uitgestoken hand en trok me onverwacht ferm naar zich toe om me een kus op mijn beide wangen te geven.
De steen in mijn maag was acuut verdwenen.
Ze voldeed in geen enkel opzicht aan het beeld dat ik volkomen ten onrechte, in mijn gedachten, met al mijn vooroordelen, van haar geschetst had.
Het was een heerlijk mens, je kon niet anders dan van deze vrouw houden.
Vanaf dat moment werd me ook duidelijk waarom ik als een blok voor haar zoon was gevallen, die op het eerste gezicht onbegrijpelijk ‘out of my usual box’ leek te zijn.

De begrafenisondernemer kwam en besprak met ons de mogelijkheden voor het afscheid. Een bijzonder vak. Wie kiest dat, dacht ik vaak. Maar het is met recht, een ‘bijzonder’ vak. Wat is het belangrijk om op een waardige, toepasselijke manier afscheid te kunnen nemen van iemand die je lief is. En wat heeft hij ons hierbij geweldig begeleid.
Ze werd door zes heren de kerk uit gedragen. Wat mij betreft had ze niet geschouderd, maar op handen gedragen moeten worden.
Met een traan en een glimlach op ons gezicht liepen we achter haar, onder muzikale begeleiding van de galmende en treffende woorden “You’ll never walk alone” van Lee Towers.
Want zo’n warm en hartelijk mens loopt nooit alleen,
ze kon op het laatst ook niet meer alleen lopen, dus het was genoeg zo én uiteraard vanwege de volhardende voorliefde voor haar favoriete club, Feyenoord. Waarvan ze de helaas jammerlijke standen nog nauwlettend bijhield.
Dankbaar voor wat was en met mooie herinneringen, gaan we zonder haar verder.

Wat een zorg!

Of de duivel ermee speelt, was het wederom laat in de avond toen er een telefoontje uit het verzorgingstehuis kwam dat mijn schoonmoeder naar het ziekenhuis zou worden gebracht per ambulance, omdat de zoveelste longontsteking de kop op leek te steken bij het 95 jaar oude besje. In allerijl reden we richting het Rotterdamse ziekenhuis, niet bijzonder gehinderd door overmatige bezorgdheid, aangezien deze taaie tante de laatste jaren vaker met dit bijltje gehakt heeft en er steeds weer kranig bovenop komt. Door een bittere, snijdend koude wind liepen we van de parkeerplaats naar de hoofdingang om vervolgens weer een halve kilometer terug te moeten lopen door de ijzige avondlucht naar de eerste hulp waar ze zich nog bleek te bevinden. Letterlijk alles werd uit de kast getrokken om een juiste diagnose te kunnen stellen. Een infuus in de arm ten behoeve van tientallen bloedbuisjes die doen bevroeden dat er werkelijk geen druppel meer in het mensje zit. Zuurstof via een canule in haar neus, waar ze veel baat bij leek te hebben omdat haar roffelende keel vol slijm geen lucht meer door leek te laten. Met stickers op haar borstbeen werd haar hartritme nauwkeurig in de gaten gehouden. Vocht werd tevens via het infuus toegediend om het vervolgens in het aangebrachte katheter weer op te vangen. Een hartfilmpje en longfoto’s, niets liet men aan het toeval over. Dertig onderzoeken, twaalf verpleegsters en vier kilo plastic afval van alle steriele verpakkingen van medische instrumenten en hulpmiddelen verder, begon het eindeloze wachten op alle uitslagen. Dat alle toeters en bellen op de monitor roodgloeiend en luid loeiend af gingen toen haar hartslag van zorgelijk laag naar extreem hoog schoten leek niemand te alarmeren. Ik begon me af te vragen wat de functie van het monitoren was als er toch geen gade geslagen wordt op de kermisattractie die ontstaat als de situatie nijpend wordt.
Het onvermijdelijke werd ons tegen 2 uur ’s nachts medegedeeld, ze werd opgenomen voor een paar dagen.
Anderhalve dag later viel ik onverwacht bij haar binnen. Ik droeg, vanwege besmettingsgevaar, een mondkapje en was kennelijk onherkenbaar voor haar, aangezien ze me direct toebeet dat ze nog steeds op de po lag en ze de hele dag nog niets te drinken had gekregen. Ik haastte me de gang op, op zoek naar verplegend personeel om haar van haar po te bevrijden. Ik zag een tweetal dames, in onberispelijk wit in een soort vierkante vissenkom midden op de gang, zitten en besloot daar mijn hoofd om de hoek te steken. ‘Euh, dames…’ begon ik.
‘U ziet dat wij hier in gesprek zijn mevrouw, kunt u de deur alstublieft weer sluiten?’ Op dat moment viel mijn oog pas op het betraande gezicht van de andere dame en ik droop zwijgend af. Van een karretje dat ik op de gang aantrof pakte ik een glas en een rietje om mijn lijdende schoonmoeder in ieder geval van wat water te kunnen voorzien. Ik liep nog een paar rondjes over de afdeling, maar de broeder die ik tegen dacht te komen meldde me dat hij de fysiotherapeut was en niets van po’s wist. Er was werkelijk niemand te bekennen. Ik trok de stoute schoenen aan en stak wederom mijn hoofd om de hoek van de vissenkom. ‘Het spijt me werkelijk u nog eens te moeten storen maar weet u zeker dat er ook nog verplegend personeel is dat in actieve dienst is op dit moment?’
Haar geërgerde blik sprak boekdelen en haar antwoord bevestigde dat er toch echt een aantal collega’s rond moest lopen. Mijn oog viel direct op een wit uniform dat nog dichtgeknoopt werd. Een frisse wind, net wat ik nodig had. Ze spoedde zich achter me aan en hielp mijn mopperende schoonmoeder van de po die ze ruim twee uur ervoor ondergeschoven had gekregen. Ik legde het meisje uit dat de noodknop onbruikbaar was als men niet de moeite nam even naar binnen te komen, ondanks het besmettingsgevaar. De vrijwel dove patiënte zou weinig gehoor geven aan de krakende vraag, ‘of alles goed gaat’, die nauwelijks hoorbaar door de intercom gesteld wordt. Haar verbaasde gezicht verried de volkomen desoriëntatie bij het horen van de stem door de erbarmelijke speaker.
Hoe bestond het dat ik dit moest bedenken.
Dat er meer geld nodig is voor de zorg is onmiskenbaar, ik hoop echter dat men in de tussentijd wel hun common sense blijft gebruiken onder de oplopende werkdruk.
De zorg blijft tenslotte een roeping.

‘Bad Mom’

Naar beste eer en geweten, middels immense hoeveelheden onvoorwaardelijke liefde, engelengeduld en kostbare energie, lukt het toch weer vrijwel iedere ouder, het kroost groot te brengen. Slechts groot is echter niet genoeg. Gelukkig, gezond en met enig toekomstperspectief ambiëren we natuurlijk ook. Er zijn momenten dat ik al meer dan genoegen neem met slechts ‘geluk’. De illusie dat ik daar nu nog enige invloed op heb, heb ik grotendeels laten varen.
Als ze klein en onbevangen zijn, draait het om ‘Rust, Regelmaat en Reinheid’. Geef daar wat liefde bij en dan kom je echt al een heel eind. Gedurende de puberteit ben ik de structuur volkomen kwijt geraakt en dat heb ik gewoonweg geaccepteerd. Die tijd zit ik uit, met mijn ‘fingers crossed’ en mijn eigen L.N.S.-strategie. Loslaten, Negeren en Slikken. Een vrijwel onmogelijke taak, maar wederom naar beste eer en geweten, houd ik mezelf voor.
Zodra ze de puberteit voorbij zijn, realiseer me, dat ik meer dan ooit, de houvast mis die je op het consultatiebureau meekreeg bij het prille begin. De adolescenten die langzaam je vleugels ontgroeien, maar zich soms plots weer wanhopig aan je vastklampen, lijken zelfverzekerder en tegelijkertijd fragieler dan welke andere leeftijdscategorie ook.
Zo vraagt elke moeder zich waarschijnlijk wel eens af of ze het wel goed doet. Ik heb de overtuiging dat de goede bedoelingen en wil een belangrijke drijfveer vormen en tevens de basis zijn voor een, op z’n minst, afdoende moederschap. Maar geen wetenschap die dat onderbouwt.
Toch blijft de hamvraag zo nu en dan herrijzen.
Ben ik een slechte moeder als ik om 1 uur ’s nachts nog achter mijn computer zit om een leesverslag van mijn zoon uit te typen en hem behoed voor de zoveelste onvoldoende? Als ik zeg dat ze zelf naar de training moeten fietsen, terwijl de rest van het team door hun moeder met de auto wordt gebracht? Als ik een potje ‘beer-pong’ win, van mijn zoon en zijn vriendjes? Als ik een briefje schrijf met een nogal vrij vertaalde versie van de waarheid om een van de kinderen uit de brand te helpen? Als ik probeer te winnen van mijn kinderen met een spelletje? Als ik veel te tolerant ben en mijn eigen regels verloochen? Of als ik juist te ongeduldig, kort door de bocht of snel geïrriteerd ben? Als ik het zonde vind dat mijn dochter met verenigingsbier haar mooie figuur om zeep lijkt te helpen? Of mijn zoon met nietsdoen zijn complete toekomst? Als ik soms geen zin heb om te koken? Als ik me regelmatig slechts aan de schijf van drie houd en ter compensatie de fruitmand maar flink vol leg? Of als ik als een krolse leeuwin voor mijn jongen in de bres spring?
Ik ben geen hockeycoach of voetbaltrainer, rijd slechts wanneer ik op de lijst sta en zit ook niet in de ouderraad van een school. Ik heb de wijsheid over opvoeden alles behalve in pacht, maar ben wel behept met een gigantisch groot moederhart.
Het is een begin…

You only get one chance, to make a first impression!

Wat had ik veel zin in deze dag. Het was een zonnige zondag in mei, heren 1 speelde thuis en ’s middags stond er een T-dansje op het programma. Het was mijn eerste T-dansant sinds ik alleen was en dat maakte het meteen de eerste die ik bij zou kunnen wonen zonder geforceerde tijdsdruk of zinloze huwelijkscrisis nadien.
Wij moesten al vroeg hockeyen, dus van de 12 aanwezige teamleden bleef slechts de harde kern van zes meiden over, om rond drie uur ‘s middags langs de lijn te staan bij ons eerste heren team. Daar zaten we dan, in het zonnetje, een biertje in de hand en nog een hele avond voor ons. Het was ouderwets gezellig, mede dankzij het rappe tempo waarmee onze lege bierglazen een refill kregen. Tegen het einde van de wedstrijd verslapte mijn aandacht voor het spel en was mijn blik progressief gericht op de ingang van het complex. Ik keek uit naar ‘de manager van dames 1’, waar ik inmiddels, na een handje vol dates in twee maanden, smoorverliefd op was geworden.
Daar was hij eindelijk. Ik had mijn zoveelste biertje in mijn hand, hij de eerste. Hoewel het nog wat onwennig was om elkaar te spreken met sensatiebelust HC Breda om ons heen, was ik al dermate onder invloed, dat ik er behoorlijk ontspannen bij stond. We kletsten even en gingen geveinsd nonchalant met elkaar om, tot mijn kersverse scharrel verplichtingen had bij ‘zijn’ damesteam en ik me weer bij mijn inmiddels tamelijk beschonken vriendinnetjes voegde, terwijl de muziek de jofele sfeer versterkte. De zon scheen nog op het volle terras, de muziek stond lekker hard, maar het T-dansant kwam nog niet swingend op gang. Mijn twee vriendinnen en ik hadden hier echter geenszins last van in onze licht benevelde toestand, òns feestje was al in volle gang. Op het podium stonden wij ons kostelijk te vermaken met z’n drietjes. Het ontging ons volkomen dat het tafereel dat wij onbewust tentoonspreidden, voor de vele toeschouwers een slechte persiflage van Patty Brard’s reallifesoap moet hebben geleken. Tegen de tijd dat ik de tel kwijt was en de tel me feitelijk ook worst was, liep ik mijn ‘nieuwe vriendje’ weer tegen het lijf. Ik stond slechts een schamele minuut met hem te praten toen zijn dochter naast hem verscheen. Ze was iets kleiner dan ik, een mooi gezichtje en twee opvallende kijkers. Ik herkende haar meteen van de foto’s. In mijn lichtelijk aangeschoten conditie, ontging het me echter niet dat ze geschokt van mij naar haar vader keek en toen als de bliksem het hazenpad koos. Ik keek hem even aan, maar hij stond me met opgetrokken schouders en een ‘geen idee’-blik aan te kijken. Ik liep in de richting van het toilet en zag haar zitten, huilend met de arm van haar teamgenootje om haar schouders. Ik dacht dit wel ‘effe te fiksen’ en stapte met misplaatste zelfverzekerdheid op de misère af. Zodra mijn naderende gestalte werd gespot veranderde het verdrietige gezichtje in een frons en sprak ze de woorden: “Laat me asjeblieft met rust, ik zit even met een vriendin te praten, ja”. Met de staart tussen de benen droop ik, volkomen ontnuchterd, af. Voor het gemak vergat ik het voorval en werd het een legendarische avond, hangend in de balken van het clubhuis. Mijn eerste en laatste uitbundige T-dansant. Haar jongere en dito betoverende zusje beloofde me ‘dat haar zus wel bij zou draaien’. Ze had gelijk.
Maar of ik ooit nog aan dat eerste imago zal ontkomen…? Wie weet.

Kerstgroet

Heel Nederland maakt zich op voor de feestelijke dagen die in het verschiet liggen. Sterker nog, vrijwel de hele wereld is ijverig in de weer om huis en haard zo gezellig mogelijk te maken. Heerlijkheden en bergen proviand worden ingeslagen om familie, vrienden of slechts een intiem gezelschap te fêteren. Dromerige lichtjes verrijken het druilerige straatbeeld dat de witte deken mist die zich in deze tijd van het jaar over het land zou hebben moeten voltrekken. Zoetsappige feel-good-movies prijken al weken op de beeldbuis en de wereld lijkt wat milder gestemd. De tv-reclames van befaamde kruideniers geven een idyllisch paradigma weer van hoe de dagen eruit zouden kunnen zien. Dat deze euforie om uiteenlopende redenen niet voor alle families is weggelegd hoef ik, gok ik, niet nader te verklaren.
Voor iedereen die dagenlang, volgeboekt met verplichtingen, de machtige kerstdiners en andere genodigden gedogend, met enige scepsis of huiveren door moet komen, bij deze een hart onder de riem. Hoezeer we allen ons beste beentje voor willen zetten om het gemoedelijk en leuk te hebben, het biedt helaas geen garanties voor een vrome avond.
Ik gun dan ook iedereen een groot, ruimdenkend hart, een grote zak tolerantie, een paar kilo naastenliefde, liters compassie aangelengd met inlevingsvermogen en een klein beetje geduld opdat men deze veelbelovende dagen genoeglijk volbracht zullen worden. Even geen kritiek, oud zeer of ergernis, want het leven kán zo mooi zijn.

Vrolijk Kerstfeest!

Avondje NAC

“Ga je zondag mee naar NAC”, vraagt mijn man afgelopen week vluchtig en bijna retorisch. Verwonderd kijkt hij op als ik instemmend antwoord. Eerlijkheid gebiedt mij toe te geven dat ik grotendeels geleid werd door de behoefte iets samen te doen en het niet de wedstrijd was die me deed besluiten met hem mee te gaan. Lekker warm gekleed gaan we samen richting het Rat Verlegh stadion. Halverwege zien we al hordes fans met geel/zwarte accessoires en een gezonde strijdlust, vastberaden in dezelfde richting struinen. Hoewel de prestaties van onze thuisclub de laatste tijd het vertrouwen in een mooie overwinning vrijwel uitsloten, lijkt deze trouwe aanhang met een ongeëvenaarde sprankeling in de ogen de hoop nimmer op te geven. Bij de hoofdingang staat een dame met een stralende glimlach om een ieder welkom te heten en de plaatsbewijzen te controleren, in een onberispelijk mantelpak, dat in eerste instantie wat overdressed oogt tussen het publiek. Eenmaal binnen blijken ze een paar dozijn van deze prachtige gastvrouwen aangerukt te hebben om alles in prima banen te leiden. In de business lounge gaan we onszelf te buiten aan het heerlijke buffet. Dan begint de wedstrijd en begeven we ons naar buiten. Plaids liggen klaar voor een ieders comfort, voor zover dat nog nodig is onder de broeierige gloed van de warmtelampen die boven de tribune hangen. NAC speelt verrassend vanaf de eerste minuut. Hoewel Excelsior volgens kenners favoriet had moeten zijn deze avond, hebben ze weinig te vertellen. De bal wordt evenwichtig rond gespeeld en de passes komen allen aan. Na het fiasco van wat ooit onze nationale trots was, is dit voetbalspel een verademing. Ik geniet met een mix van trots en enthousiasme van de saamhorigheid van de gepassioneerde supporters op de B-side, die als een harmonieus koor de opruiende teksten en leuzes door het stadion galmen om de spelers aan te sporen, ondersteund door vak G aan de overkant. ‘We’ scoren en een moment verkeert het hele stadion, op een geringe groep toeschouwers in het uitvak na, in een zekere vorm van extase. Al snel wordt het spel hervat en dient de stand nog vastgehouden te worden. Tijdens de rust wordt er al uitgelaten gespeculeerd over de eindstand, de invloed van andere wedstrijduitslagen en opgewonden gepocht over het mooie staaltje voetbal dat onze club hier vanavond laat zien. Dat er normaliter door de goegemeente en beste stuurlui in deze lounge waarschijnlijk aanzienlijk minder positieve commentaren worden geuit zal geen geheim zijn. Het wordt echter nóg beter. Er wordt door beide partijen nogmaals gescoord, waardoor het nog pittig spannend wordt en ik me zit te verbijten. Het valt me plots op dat deze jonge, vitale knullen, die hier tegen een aardig salaris hun jongensdroom waar staan te maken echter minder fanatiek achter een bal aan gaan dan mijn veterinnen team dat voor de lol op zondag in een dramatisch lage klasse een potje amateurhockey staat te spelen. Maar dat is dan ook het enige minpuntje van de avond en is ze acuut vergeven zodra het derde doelpunt voor NAC valt. Met een eindstand van 3-1 klinkt het fluitsignaal van de scheidsrechter. We blijven wachten tot de spelers applaudisserend hun rondje hebben gemaakt langs alle supporters. Een wederzijds bedankt en respect wordt geuit en binnen tien minuten is het stadion weer zo goed als leeg. Dat is te zeggen, het veld en de tribunes. In de diverse lounges alsmede het sponsorhome gaat het nog lang en gezellig door. En niet alleen als er gewonnen wordt!
Wat een belevenis, zo’n avondje NAC.

Van jolijt tot strijd!

Hoewel wij best een aantal televisietoestellen in huis hebben hangen, lijkt degene in de woonkamer toch favoriet. Dat ligt vermoedelijk niet slechts aan het feit dat het kastje dat we van de provider ontvangen hebben, waarvan ik de vergezochte, ingewikkelde naam niet eens meer probeer te onthouden, daar staat en voor een ongekend divers assortiment aan programma’s, zenders en films zorgt. Hier staat de verwarming op comfortabele hoogte, komen de thee met koekjes of cola met chips geregeld voorbij en is gewoonweg de meeste reuring en gezelligheid. Voor ieder wat wils, dat klopt, jammer alleen dat een ieder in het gezin iets anders wil. Nog voordat ik met de thee bij de televisie verschijn, is er vaak al onenigheid over de zender.
De goede oude tijd dat wij bij mij thuis aan een zwart-wit schermpje van 30×40 gekluisterd zaten om naar het enige programma te kijken dat op televisie was, gepresenteerd door Ted de Braak, lijkt nu een herinnering uit de prehistorie.
Om de gemoederen te sussen stel ik voor eens een spelletje te doen. Ik constateer verbluft dat er zowaar animo is voor mijn enigszins kneuterige idee. We verkassen naar de keukentafel en na zo’n tien luidruchtige minuten discussiëren over het spel naar keuze wordt Party en Co tevoorschijn gehaald. Na een fiks dispuut van nog eens tien minuten over de samenstelling van de teams, zitten we eindelijk gemoedelijk rondom de tafel de dobbelsteen rond te spelen. Ik zit meestal in het team bij de ‘left overs’ waar niemand bij wil horen. Geen schijn van kans om dit spel te winnen voor deze strijdlustige speler, dus blijf ik mezelf geforceerd voorhouden dat dit tijdverdrijf puur voor het vermaak van het hele span is en het vanavond niet om de overwinning draait. Ik had het mis. De spelregels worden zeer selectief toegepast en geïnterpreteerd en mijn vier appels die niet ver van mijn boom vallen gaan deze strijd aan alsof hun leven er vanaf hangt. Ik zie mijn zoon voor de derde keer dezelfde lullige beweging maken waarmee hij zeer duidelijk denkt uit te beelden wat er op het kaartje staat. Ze raden het niet en ik zie zijn frustratie groeien. “De tijd is om!” roept mijn jongste net iets harder en vinniger dan nodig, nog vóór de laatste zandkorreltjes door het smalle tuitje zijn gevallen. Ik werp haar een vermanende blik toe. Een mengeling van gêne en boosheid borrelt op en met een rood gevlekt, geërgerd hoofd en de mededeling, “Jullie kunnen echt niks”, gaat hij weer zitten. Na nog een paar rondes gaat het plots niet meer over liplezen of verboden woorden, maar is het de kunst geworden een ander af te straffen waar hij enigszins de regels dreigt te overschrijden. Er is er al één van tafel weggelopen en ik ben blij dat het bijna ten einde is. Volgende keer kijken we toch maar weer flegmatisch het suffe programma dat de eerste die de afstandsbediening tussen de kussens van de bank heeft gevonden op heeft gezet.

Slap zeg!

Met weemoed denk ik terug aan de tijd dat ik nog de wilskracht had om drie a vier keer per week in mijn gestroomlijnde outfit naar de sportclub te fietsen en daar een liter zweet te laten vloeien dankzij mijn overdreven fanatieke gedrevenheid. Mijn BMI was destijds op het mannelijke af en vol verbazing stond ik wel eens naar mijn eigen spiegelbeeld te kijken. Hoe kreeg ik het voor elkaar, na vier kids. Het was niet eens per definitie mooi, maar wel knap, vond ik zelf.
‘Doos dees are over!’, bedenk ik als ik in een paskamer van een Hunkermöller sta. “Wat een vreselijk licht hebben ze hier”. Iedere oneffenheid en elk vlekje wordt uitvergroot en bezorgt mij bijna een complex. De voorbij vliegende jaren en de onontkoombare zwaartekracht vragen hun tol. Snel trek ik de slecht zittende bh weer uit en haast me in mijn spijkerbroek en wijde trui, heerlijk. De voornemens om weer wat frequenter in actie te komen liggen al een poosje in de week.
O, ik sport wel. Ik hockey eens in de week, om vervolgens na de wedstrijd in de veteranencompetitie de week af te sluiten met bier en bitterballen. Zo nu en dan loop ik hard. Dan pak ik het ook meteen rigoureus aan en loop op volle kracht 10 kilometer om vervolgens al mijn spieren met gewichten over te belasten en me dan weer een aantal weken te verschuilen achter het excuus dat ik met mijn hectische huishouden niet toe kom aan sporten. Ik overweeg wel eens baantjes te trekken als ik in de buurt van een zwembad kom, maar verder dan de overweging kom ik minder dan zelden. Pijntjes, rugklachten en een zwak gestel zijn het onvermijdelijke gevolg en tegelijkertijd de reden om weer niet te gaan. Ik ben al ruim een jaar slechts donateur van een zeer goed geoutilleerde sportschool en hun mails met de tekst ‘Barbara, we missen je!’ herinneren me regelmatig pijnlijk aan mijn nalatigheid. Het hoeft niet meer zo excessief als voorheen, maar ik baal van mijn karakterloze aanpak en erger me aan mijn gebrek aan ruggengraat. Dus zet ik een pot slappe thee voor de vorm en eet er een rol koekjes bij als troost. Ik realiseer me dat ik me in mijn zelf gecreëerde vicieuze cirkel bevind. Ik kijk er naar uit me weer fit te voelen, ik kijk er naar uit die routine weer op te pakken en ik kijk uit naar de dag dat ik mezelf een schop onder mijn reet geef en het ook daadwerkelijk zal doen.
Morgen… nou ja… in het nieuwe jaar ga ik het weer anders doen.

Geef ze een kans!

Er heeft heel wat bloed, zweet en wellicht zelfs een traan gevloeid alvorens men het eens werd. Het kostte de nodige kruim aan gekibbel en kift en er verstreek een behoorlijke tijd, maar het is ze dan toch eindelijk gelukt een coalitie te vormen. Een zeer gemêleerd collectief, met uiteenlopende ideeën en principes en een nogal complex te combineren agenda, trad onlangs aan als onze nieuwe regering. Het resultaat van deze enigszins onsamenhangende en veelzijdige, doch enthousiaste club ministers is dan ook een nooit geëvenaard kleurrijk geheel, dat een bonte bordesfoto te weeg bracht. Nog nooit tevoren was er een dergelijk gewaagde variëteit aan kledij te bespeuren op de trappen van Paleis Huis ten Bosch. Het portret lijkt echter een letterlijke weergave van de veelzijdigheid van de partijen die gezamenlijk ons land zullen gaan vertegenwoordigen. Er klinken echter geluiden van onvrede en wantrouwen vanuit het land. PVV stemmers zijn verbolgen over het feit dat hun ruim verkozen partij niet vertegenwoordigd wordt in de regering. Begrijpelijk wellicht, maar laten we niet vergeten dat de oppositie geen onbelangrijke rol heeft in ons land. Een zodanig samengestelde regering zal een glasheldere spiegel voorgehouden moeten krijgen om te voorkomen dat de partijkleuren zullen vertroebelen en een grootschalig bemiddelen en schikken een poepkleurig kabinet zal voortbrengen. Een schone taak weggelegd voor de oppositie. Grote zorgen maakt men zich ook over het feit dat partijen de beloftes niet meer nakomen die in het verkiezingsprogramma werden gepresenteerd. Ieder weldenkend mens zou zich echter toch hebben kunnen realiseren dat er bij zo’n ruim aanbod aan verkiesbaar materiaal, hier en daar wel wat geschaafd en gesneden dient te worden. Er zal dus wat water bij de wijn gedaan moeten worden. Niet teveel natuurlijk, want als je te veel water bij een mooie Cabernet Sauvignon doet, had je net zo goed een rosétje kunnen nemen. Enige bezorgdheid en kritiek mag en is ons Nederlanders eigen. Maar waarom zelfs de schoenen van onze vicepremier en minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zo in opspraak kwamen is mij een raadsel. We mogen er toch vanuit gaan dat hij zijn eerste dag als minister geen intentie had om ons allen tegen zich in het harnas te jagen. Dat maakt dat hij vermoedelijk een ander signaal af heeft willen geven dan pure provocatie. Oké, Hugo heeft wellicht een fetisj, of hij heeft zich vernieuwend en fris willen presenteren. Hij is in ieder geval geen meeloper, want dan had hij een paar zwarte schoenen uit de kast getrokken. Laten we deze mensen met een gezonde scepsis, doch met vertrouwen in onze volksvertegenwoordiging een beetje krediet geven.
Op zijn minst tot het tegendeel ontegenzeglijk bewezen is.

Een zinloos bestaan?

Er bestaan van die momenten dat ik, wellicht iets te serieus, de zin van mijn leven probeer te achterhalen. Als ik ’s avonds na half 9 uitgeblust op de bank zit, zoals mijn hangende pubers zich dat al vanaf drie uur in de middag kunnen permitteren of tijdens vakanties zelfs rechtstreeks vanuit hun bed, mijmerend over de overhemden die ik eigenlijk zou moeten gaan strijken, komt dat onbevredigende gevoel wel eens naar boven van de zinloosheid van mijn onophoudelijke bezigheden. Ik kan er maar niet aan wennen dat ik denk boodschappen in huis te hebben gehaald voor een dag of drie, die de volgende middag onder mijn handen vandaan zijn gekaapt en verorberd door, naar het schijnt, geheimzinnige bezoekers die zichzelf nimmer prijsgeven. Dat er ’s avonds amper of niet wordt gegeten van mijn zorgvuldig gekozen ‘schijf van vijf’-maaltijd zet wel tot denken. Het wegwerken van drie volle wasmanden is inmiddels bijna dagelijkse kost in dit huishouden, maar dat de eerste alweer vol zit alvorens ik de laatste schoon heb, geeft niet de beoogde voldoening. Hoewel ik geniet van het schone huis, wanneer de hulp weer is geweest, is haar komst al vrijwel onzichtbaar zodra de kinderen en honden weer een gering aantal uur in huis zijn. Kruimels op het aanrecht, zand kraakt alweer onder mijn schoenzolen en de zorgvuldig opgeklopte kussens, opgevouwen dekens en aangeschoven stoelen zijn in een oogwenk verledentijd en bedolven onder rugzakken en jassen. Zo dien ik een dag later de stofzuiger zelf weer ter hand te nemen om de heen en weer drijvende plukken hondenhaar te elimineren. Onbegrijpelijk dat die beesten überhaupt nog haar hebben met dit overdadige haarverlies. De tandpasta van de kinders zit de volgende ochtend al weer her en der verspreid over de wastafel en met een beetje pech zelfs op de spiegel. Ik doe m’n rondje huis in een ras tempo na het uitlaten van de honden en als ik het niet vlotjes laat geschieden, staan mijn drie trouwe viervoeters wanneer ik klaar ben al weer gelukzalig naar me te kwispelen voor hun tweede rondje. Tussen de bedrijven door hark ik de bladeren uit de tuin zodat deze er weer strak bij ligt, maar al vóór ik de groencontainer heb geparkeerd waar hij hoort en de hark in de garage heb gedropt, overschaduwt het eerste dozijn xl-plataanbladeren mijn inzet alweer. Ik constateer met een zucht dat de kussens nog buiten op de zogenaamde loungeset liggen. Ik heb ze er neergelegd toen ik een zonnetje zag verschijnen, echter voordat ik de twaalf onmogelijke dingen er had liggen was deze verdwenen. Met goede hoop op een terugkerende zon liet ik ze even liggen, tot de regen me overviel en de dikke kussen doordrenkt van water en niet meer op te bergen waren en erop zitten is ook zelden een optie. Zodra de zon schijnt kunnen ze mooi even drogen, bedacht ik steeds, maar voor ik het wist was er weer een bui overheen gegaan. Ze liggen nu al twee maanden buiten. Overhoren van huiswerk vind ik prima, maar overweldigende moedeloosheid valt me ten deel als mijn kind me vertelt dat het ‘super slecht’ ging omdat we uren aan het verkeerde hoofdstuk hebben gezeten. Zo lijkt ook aan het aanvullen van wc papier, inslaan van shampoo, brood, melk, cola, chips en beestenvoer, het ontbladeren van de dakgoten, het zemen van de ramen, het plakken van fietsbanden geen einde te komen en geen eer meer te behalen. Mijn leven is een soort ‘Groundhog day’, zo’n dag die iedere ochtend terugkomt zonder enige vorderingen, wellicht tot ik het eens anders aan ga pakken. Ik put enige troost uit de moeders om me heen die zeggen hetzelfde mee te maken. Waar zijn we in godsnaam mee bezig?
Overmorgen moet ik werken, ik kijk ernaar uit!