Avondje NAC

“Ga je zondag mee naar NAC”, vraagt mijn man afgelopen week vluchtig en bijna retorisch. Verwonderd kijkt hij op als ik instemmend antwoord. Eerlijkheid gebiedt mij toe te geven dat ik grotendeels geleid werd door de behoefte iets samen te doen en het niet de wedstrijd was die me deed besluiten met hem mee te gaan. Lekker warm gekleed gaan we samen richting het Rat Verlegh stadion. Halverwege zien we al hordes fans met geel/zwarte accessoires en een gezonde strijdlust, vastberaden in dezelfde richting struinen. Hoewel de prestaties van onze thuisclub de laatste tijd het vertrouwen in een mooie overwinning vrijwel uitsloten, lijkt deze trouwe aanhang met een ongeëvenaarde sprankeling in de ogen de hoop nimmer op te geven. Bij de hoofdingang staat een dame met een stralende glimlach om een ieder welkom te heten en de plaatsbewijzen te controleren, in een onberispelijk mantelpak, dat in eerste instantie wat overdressed oogt tussen het publiek. Eenmaal binnen blijken ze een paar dozijn van deze prachtige gastvrouwen aangerukt te hebben om alles in prima banen te leiden. In de business lounge gaan we onszelf te buiten aan het heerlijke buffet. Dan begint de wedstrijd en begeven we ons naar buiten. Plaids liggen klaar voor een ieders comfort, voor zover dat nog nodig is onder de broeierige gloed van de warmtelampen die boven de tribune hangen. NAC speelt verrassend vanaf de eerste minuut. Hoewel Excelsior volgens kenners favoriet had moeten zijn deze avond, hebben ze weinig te vertellen. De bal wordt evenwichtig rond gespeeld en de passes komen allen aan. Na het fiasco van wat ooit onze nationale trots was, is dit voetbalspel een verademing. Ik geniet met een mix van trots en enthousiasme van de saamhorigheid van de gepassioneerde supporters op de B-side, die als een harmonieus koor de opruiende teksten en leuzes door het stadion galmen om de spelers aan te sporen, ondersteund door vak G aan de overkant. ‘We’ scoren en een moment verkeert het hele stadion, op een geringe groep toeschouwers in het uitvak na, in een zekere vorm van extase. Al snel wordt het spel hervat en dient de stand nog vastgehouden te worden. Tijdens de rust wordt er al uitgelaten gespeculeerd over de eindstand, de invloed van andere wedstrijduitslagen en opgewonden gepocht over het mooie staaltje voetbal dat onze club hier vanavond laat zien. Dat er normaliter door de goegemeente en beste stuurlui in deze lounge waarschijnlijk aanzienlijk minder positieve commentaren worden geuit zal geen geheim zijn. Het wordt echter nóg beter. Er wordt door beide partijen nogmaals gescoord, waardoor het nog pittig spannend wordt en ik me zit te verbijten. Het valt me plots op dat deze jonge, vitale knullen, die hier tegen een aardig salaris hun jongensdroom waar staan te maken echter minder fanatiek achter een bal aan gaan dan mijn veterinnen team dat voor de lol op zondag in een dramatisch lage klasse een potje amateurhockey staat te spelen. Maar dat is dan ook het enige minpuntje van de avond en is ze acuut vergeven zodra het derde doelpunt voor NAC valt. Met een eindstand van 3-1 klinkt het fluitsignaal van de scheidsrechter. We blijven wachten tot de spelers applaudisserend hun rondje hebben gemaakt langs alle supporters. Een wederzijds bedankt en respect wordt geuit en binnen tien minuten is het stadion weer zo goed als leeg. Dat is te zeggen, het veld en de tribunes. In de diverse lounges alsmede het sponsorhome gaat het nog lang en gezellig door. En niet alleen als er gewonnen wordt!
Wat een belevenis, zo’n avondje NAC.

Van jolijt tot strijd!

Hoewel wij best een aantal televisietoestellen in huis hebben hangen, lijkt degene in de woonkamer toch favoriet. Dat ligt vermoedelijk niet slechts aan het feit dat het kastje dat we van de provider ontvangen hebben, waarvan ik de vergezochte, ingewikkelde naam niet eens meer probeer te onthouden, daar staat en voor een ongekend divers assortiment aan programma’s, zenders en films zorgt. Hier staat de verwarming op comfortabele hoogte, komen de thee met koekjes of cola met chips geregeld voorbij en is gewoonweg de meeste reuring en gezelligheid. Voor ieder wat wils, dat klopt, jammer alleen dat een ieder in het gezin iets anders wil. Nog voordat ik met de thee bij de televisie verschijn, is er vaak al onenigheid over de zender.
De goede oude tijd dat wij bij mij thuis aan een zwart-wit schermpje van 30×40 gekluisterd zaten om naar het enige programma te kijken dat op televisie was, gepresenteerd door Ted de Braak, lijkt nu een herinnering uit de prehistorie.
Om de gemoederen te sussen stel ik voor eens een spelletje te doen. Ik constateer verbluft dat er zowaar animo is voor mijn enigszins kneuterige idee. We verkassen naar de keukentafel en na zo’n tien luidruchtige minuten discussiëren over het spel naar keuze wordt Party en Co tevoorschijn gehaald. Na een fiks dispuut van nog eens tien minuten over de samenstelling van de teams, zitten we eindelijk gemoedelijk rondom de tafel de dobbelsteen rond te spelen. Ik zit meestal in het team bij de ‘left overs’ waar niemand bij wil horen. Geen schijn van kans om dit spel te winnen voor deze strijdlustige speler, dus blijf ik mezelf geforceerd voorhouden dat dit tijdverdrijf puur voor het vermaak van het hele span is en het vanavond niet om de overwinning draait. Ik had het mis. De spelregels worden zeer selectief toegepast en geïnterpreteerd en mijn vier appels die niet ver van mijn boom vallen gaan deze strijd aan alsof hun leven er vanaf hangt. Ik zie mijn zoon voor de derde keer dezelfde lullige beweging maken waarmee hij zeer duidelijk denkt uit te beelden wat er op het kaartje staat. Ze raden het niet en ik zie zijn frustratie groeien. “De tijd is om!” roept mijn jongste net iets harder en vinniger dan nodig, nog vóór de laatste zandkorreltjes door het smalle tuitje zijn gevallen. Ik werp haar een vermanende blik toe. Een mengeling van gêne en boosheid borrelt op en met een rood gevlekt, geërgerd hoofd en de mededeling, “Jullie kunnen echt niks”, gaat hij weer zitten. Na nog een paar rondes gaat het plots niet meer over liplezen of verboden woorden, maar is het de kunst geworden een ander af te straffen waar hij enigszins de regels dreigt te overschrijden. Er is er al één van tafel weggelopen en ik ben blij dat het bijna ten einde is. Volgende keer kijken we toch maar weer flegmatisch het suffe programma dat de eerste die de afstandsbediening tussen de kussens van de bank heeft gevonden op heeft gezet.

Slap zeg!

Met weemoed denk ik terug aan de tijd dat ik nog de wilskracht had om drie a vier keer per week in mijn gestroomlijnde outfit naar de sportclub te fietsen en daar een liter zweet te laten vloeien dankzij mijn overdreven fanatieke gedrevenheid. Mijn BMI was destijds op het mannelijke af en vol verbazing stond ik wel eens naar mijn eigen spiegelbeeld te kijken. Hoe kreeg ik het voor elkaar, na vier kids. Het was niet eens per definitie mooi, maar wel knap, vond ik zelf.
‘Doos dees are over!’, bedenk ik als ik in een paskamer van een Hunkermöller sta. “Wat een vreselijk licht hebben ze hier”. Iedere oneffenheid en elk vlekje wordt uitvergroot en bezorgt mij bijna een complex. De voorbij vliegende jaren en de onontkoombare zwaartekracht vragen hun tol. Snel trek ik de slecht zittende bh weer uit en haast me in mijn spijkerbroek en wijde trui, heerlijk. De voornemens om weer wat frequenter in actie te komen liggen al een poosje in de week.
O, ik sport wel. Ik hockey eens in de week, om vervolgens na de wedstrijd in de veteranencompetitie de week af te sluiten met bier en bitterballen. Zo nu en dan loop ik hard. Dan pak ik het ook meteen rigoureus aan en loop op volle kracht 10 kilometer om vervolgens al mijn spieren met gewichten over te belasten en me dan weer een aantal weken te verschuilen achter het excuus dat ik met mijn hectische huishouden niet toe kom aan sporten. Ik overweeg wel eens baantjes te trekken als ik in de buurt van een zwembad kom, maar verder dan de overweging kom ik minder dan zelden. Pijntjes, rugklachten en een zwak gestel zijn het onvermijdelijke gevolg en tegelijkertijd de reden om weer niet te gaan. Ik ben al ruim een jaar slechts donateur van een zeer goed geoutilleerde sportschool en hun mails met de tekst ‘Barbara, we missen je!’ herinneren me regelmatig pijnlijk aan mijn nalatigheid. Het hoeft niet meer zo excessief als voorheen, maar ik baal van mijn karakterloze aanpak en erger me aan mijn gebrek aan ruggengraat. Dus zet ik een pot slappe thee voor de vorm en eet er een rol koekjes bij als troost. Ik realiseer me dat ik me in mijn zelf gecreëerde vicieuze cirkel bevind. Ik kijk er naar uit me weer fit te voelen, ik kijk er naar uit die routine weer op te pakken en ik kijk uit naar de dag dat ik mezelf een schop onder mijn reet geef en het ook daadwerkelijk zal doen.
Morgen… nou ja… in het nieuwe jaar ga ik het weer anders doen.

Geef ze een kans!

Er heeft heel wat bloed, zweet en wellicht zelfs een traan gevloeid alvorens men het eens werd. Het kostte de nodige kruim aan gekibbel en kift en er verstreek een behoorlijke tijd, maar het is ze dan toch eindelijk gelukt een coalitie te vormen. Een zeer gemêleerd collectief, met uiteenlopende ideeën en principes en een nogal complex te combineren agenda, trad onlangs aan als onze nieuwe regering. Het resultaat van deze enigszins onsamenhangende en veelzijdige, doch enthousiaste club ministers is dan ook een nooit geëvenaard kleurrijk geheel, dat een bonte bordesfoto te weeg bracht. Nog nooit tevoren was er een dergelijk gewaagde variëteit aan kledij te bespeuren op de trappen van Paleis Huis ten Bosch. Het portret lijkt echter een letterlijke weergave van de veelzijdigheid van de partijen die gezamenlijk ons land zullen gaan vertegenwoordigen. Er klinken echter geluiden van onvrede en wantrouwen vanuit het land. PVV stemmers zijn verbolgen over het feit dat hun ruim verkozen partij niet vertegenwoordigd wordt in de regering. Begrijpelijk wellicht, maar laten we niet vergeten dat de oppositie geen onbelangrijke rol heeft in ons land. Een zodanig samengestelde regering zal een glasheldere spiegel voorgehouden moeten krijgen om te voorkomen dat de partijkleuren zullen vertroebelen en een grootschalig bemiddelen en schikken een poepkleurig kabinet zal voortbrengen. Een schone taak weggelegd voor de oppositie. Grote zorgen maakt men zich ook over het feit dat partijen de beloftes niet meer nakomen die in het verkiezingsprogramma werden gepresenteerd. Ieder weldenkend mens zou zich echter toch hebben kunnen realiseren dat er bij zo’n ruim aanbod aan verkiesbaar materiaal, hier en daar wel wat geschaafd en gesneden dient te worden. Er zal dus wat water bij de wijn gedaan moeten worden. Niet teveel natuurlijk, want als je te veel water bij een mooie Cabernet Sauvignon doet, had je net zo goed een rosétje kunnen nemen. Enige bezorgdheid en kritiek mag en is ons Nederlanders eigen. Maar waarom zelfs de schoenen van onze vicepremier en minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zo in opspraak kwamen is mij een raadsel. We mogen er toch vanuit gaan dat hij zijn eerste dag als minister geen intentie had om ons allen tegen zich in het harnas te jagen. Dat maakt dat hij vermoedelijk een ander signaal af heeft willen geven dan pure provocatie. Oké, Hugo heeft wellicht een fetisj, of hij heeft zich vernieuwend en fris willen presenteren. Hij is in ieder geval geen meeloper, want dan had hij een paar zwarte schoenen uit de kast getrokken. Laten we deze mensen met een gezonde scepsis, doch met vertrouwen in onze volksvertegenwoordiging een beetje krediet geven.
Op zijn minst tot het tegendeel ontegenzeglijk bewezen is.

Een zinloos bestaan?

Er bestaan van die momenten dat ik, wellicht iets te serieus, de zin van mijn leven probeer te achterhalen. Als ik ’s avonds na half 9 uitgeblust op de bank zit, zoals mijn hangende pubers zich dat al vanaf drie uur in de middag kunnen permitteren of tijdens vakanties zelfs rechtstreeks vanuit hun bed, mijmerend over de overhemden die ik eigenlijk zou moeten gaan strijken, komt dat onbevredigende gevoel wel eens naar boven van de zinloosheid van mijn onophoudelijke bezigheden. Ik kan er maar niet aan wennen dat ik denk boodschappen in huis te hebben gehaald voor een dag of drie, die de volgende middag onder mijn handen vandaan zijn gekaapt en verorberd door, naar het schijnt, geheimzinnige bezoekers die zichzelf nimmer prijsgeven. Dat er ’s avonds amper of niet wordt gegeten van mijn zorgvuldig gekozen ‘schijf van vijf’-maaltijd zet wel tot denken. Het wegwerken van drie volle wasmanden is inmiddels bijna dagelijkse kost in dit huishouden, maar dat de eerste alweer vol zit alvorens ik de laatste schoon heb, geeft niet de beoogde voldoening. Hoewel ik geniet van het schone huis, wanneer de hulp weer is geweest, is haar komst al vrijwel onzichtbaar zodra de kinderen en honden weer een gering aantal uur in huis zijn. Kruimels op het aanrecht, zand kraakt alweer onder mijn schoenzolen en de zorgvuldig opgeklopte kussens, opgevouwen dekens en aangeschoven stoelen zijn in een oogwenk verledentijd en bedolven onder rugzakken en jassen. Zo dien ik een dag later de stofzuiger zelf weer ter hand te nemen om de heen en weer drijvende plukken hondenhaar te elimineren. Onbegrijpelijk dat die beesten überhaupt nog haar hebben met dit overdadige haarverlies. De tandpasta van de kinders zit de volgende ochtend al weer her en der verspreid over de wastafel en met een beetje pech zelfs op de spiegel. Ik doe m’n rondje huis in een ras tempo na het uitlaten van de honden en als ik het niet vlotjes laat geschieden, staan mijn drie trouwe viervoeters wanneer ik klaar ben al weer gelukzalig naar me te kwispelen voor hun tweede rondje. Tussen de bedrijven door hark ik de bladeren uit de tuin zodat deze er weer strak bij ligt, maar al vóór ik de groencontainer heb geparkeerd waar hij hoort en de hark in de garage heb gedropt, overschaduwt het eerste dozijn xl-plataanbladeren mijn inzet alweer. Ik constateer met een zucht dat de kussens nog buiten op de zogenaamde loungeset liggen. Ik heb ze er neergelegd toen ik een zonnetje zag verschijnen, echter voordat ik de twaalf onmogelijke dingen er had liggen was deze verdwenen. Met goede hoop op een terugkerende zon liet ik ze even liggen, tot de regen me overviel en de dikke kussen doordrenkt van water en niet meer op te bergen waren en erop zitten is ook zelden een optie. Zodra de zon schijnt kunnen ze mooi even drogen, bedacht ik steeds, maar voor ik het wist was er weer een bui overheen gegaan. Ze liggen nu al twee maanden buiten. Overhoren van huiswerk vind ik prima, maar overweldigende moedeloosheid valt me ten deel als mijn kind me vertelt dat het ‘super slecht’ ging omdat we uren aan het verkeerde hoofdstuk hebben gezeten. Zo lijkt ook aan het aanvullen van wc papier, inslaan van shampoo, brood, melk, cola, chips en beestenvoer, het ontbladeren van de dakgoten, het zemen van de ramen, het plakken van fietsbanden geen einde te komen en geen eer meer te behalen. Mijn leven is een soort ‘Groundhog day’, zo’n dag die iedere ochtend terugkomt zonder enige vorderingen, wellicht tot ik het eens anders aan ga pakken. Ik put enige troost uit de moeders om me heen die zeggen hetzelfde mee te maken. Waar zijn we in godsnaam mee bezig?
Overmorgen moet ik werken, ik kijk ernaar uit!

Not just another day

De vogels vielen niet van het dak en de zomerse kledij die een ieder in petto had voor de bijzondere gelegenheid was wellicht een tikkeltje te optimistisch, maar goddank het was droog en windstil. Dat was al meer dan ik had durven hopen. In de feestelijk aangeklede tent lagen dertig sfeervolle lampionnen op de grond, in afwachting van hun opknoping. Menigeen had er al meerdere malen zijn nek bijna over gebroken, maar ik had een ingenieus takelsysteem bedacht, zodat we op het laatste moment de led-lampjes één voor één aan konden doen en ze vervolgens in een mum naar de nok konden takelen. Ik zag namelijk noch mezelf, noch iemand anders van de familie, de hoge ladder dertig keer beklimmen zo vlak voor ‘primetime’. Dat ik ter versteviging uiteindelijk alsnog tien tiewraps diende aan te brengen bovenop de trapleer, maakte mijn vergezochte creatie, die al dagen in de weg had gelegen, enigszins overbodig. De kinderen waren allen in het nieuw gestoken. De meiden in schattige niemandalletjes, op torenhoge hakken die me het gevoel gaven als enige dwerg te figureren tussen zeven Sneeuwwitjes. Hun nagels gelakt in diverse bijpassende kleuren, terwijl aan mijn nagels geen eer meer te behalen viel en ik tevergeefs de zwarte roetvlekken van de tuinfakkels van mijn handen probeerde te schrobben. De jongens gedistingeerd, strak in het pak met een stel kekke schoenen eronder en een simultaan aangemeten, zelfingenomen uitdrukking op het gezicht. Mijn jurk had ik een week of twee eerder opgehaald toen deze nog als gegoten had gezeten, maar door het ren en vliegwerk van de voorgaande dagen was iedere vorm van eten, laat staan een fatsoenlijke maaltijd, erbij ingeschoten. Het gevolg was dat de rok door het ongewenst verlies van wat omvang, een paar centimeter lager hing en ik steevast met de punten van mijn pumps in de zoom bleef hangen. Ook het zorgvuldig uitgekozen paar hakken had als pantoffels gezeten. Dat de frisse temperatuur ervoor zou zorgen dat mijn normaliter vochthoudende, relatief brede, hoge, bijna vierkante voeten zich nu zelfs rank voordeden, kon ik enkele maanden geleden ook niet bevroeden. Met gekromde tenen wist ik de witte muiltjes enigszins aan mijn voet te houden, al liep dat verre van charmant. Dat gaf weinig zolang ik rechtuit liep in een door mij te bepalen tempo. Het werd lastiger toen ik in opdracht van de fotograaf rondjes diende te draaien aan de hand van mijn, door de zenuwen bevangen, vriend. Het was een vrijwel onmogelijk taak die zelfs voorbijgangers te fiets deed besluiten me toe te roepen ‘dat het best soepeler moest kunnen’. In de open oldtimer, op weg naar onze buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand, besloot ik onder de vele lagen van mijn wijde rok, mijn panty uit te trekken in de hoop dat de schoenen meer houvast zouden krijgen. Na het ‘jawoord’ op de terugweg naar ons huis, waar de rest van de feestelijke dag plaats zou vinden, trok ik de panty toch maar weer aan omdat de eerdere actie niet het beoogde resultaat had geboden. Het was een kunst om dit zo onopzichtig mogelijk voor elkaar te krijgen in de cabrio, zeker gezien het feit dat we niet de minste aandacht trokken met de rammelende blikjes achter de auto. Later op de avond werden de klepperende hakken vervangen door een paar westernlaarzen en werd de lange haute couture jurk met slordige doch effectieve knopen omhoog gehouden. ‘Adieu, stijlvolle bruid’. Of het afglijden van mijn voorkomen gedurende de dag de aanleiding is geweest voor de volkse polonaise die tegen het einde van de avond werd ingezet, laat ik in het midden.
Al met al, zonder twijfel, één van mijn meest favoriete dagen.

Tuinvrouw

Met het oog op een naderend tuinfeest bij ons thuis, kijk ik eens kritisch naar de ooit zo keurig aangelegde tuin, die er momenteel bijligt als een afgekeurd voetbalveld in een land dat onmiskenbaar te kampen heeft met tergende droogte. Het gazon heeft slechts hier en daar een sprietje en bestaat voorts overwegend uit mos en onkruidplantjes met her en der kuilen ten gevolge van een verveelde hond. Vol in de zon bevindt zich een grote ronde cirkel, waar vorig jaar een zwembad heeft gestaan, die nu moeizaam wat groenig begint te worden. Aan de zijkanten zijn de borders gevuld met een strak frans patroon van uitgerangeerde buxus die een rigoureus bezoek heeft gehad van de plagende buxus-mot. Een zee van kronkelende rupsen vreet de arme plant kaal en de paar blaadjes die er nog aan zitten lijken zich angstvallig te camoufleren in een dorre, bruine kleur in de hoop dat het harige beest aan hen voorbij zal gaan. Het ziet er uitermate bedroevend uit en vormt niet echt een fleurig decor voor een gezellig feestje. De paar armetierige stekjes die nog enigszins blad hebben geef ik nog een kans met een chemisch goedje dat de killer-rups de das om zou moeten doen, maar de overige, kansloze bollen en haagjes werk ik zonder pardon de grond uit. Ik vergeet daarbij dat mijn smetteloos witte tuniekje niet de meest voor de hand liggende kledij voor de klus is en schrijf deze dan ook, na zes tevergeefse wasbeurten, af. De schop blijkt niet bestand tegen het contra gewicht van de grote kluiten als ik mijn lichaamsgewicht in de strijd gooi. Ik leg het werk stil voor die dag en besluit de ochtend erop verder te gaan. Met een nieuwe schop en werkbare kleding trek ik ten strijde. Het is een slagveld. Grote verminkte stukken braakliggende perk zijn nu het toonbeeld van onze tuin, afgewisseld door de sneue vlakte die wij tegen beter weten in ‘gras’ blijven noemen. Ik sloop een paar m2 van een ander plantje, dat niet lekker genoeg is gebleken voor de sliertige insecten, uit een in mijn ogen misplaatst en zinloos, rechthoekig stuk siertuin en verplaats ze naar waar voorheen de buxus een haag formeerde. Het kost een halve dag, zelfs met hulp van mijn dochter en lijkt dan nog nergens op. Maar er staat tenminste iets levends, besluit ik. Bij thuiskomst zie ik mijn vriend loom de tuin rond kijken. Ik bespeur een mengeling van amusement en moedeloosheid in zijn blik. Ik sprint naar buiten om uitleg te verschaffen bij mijn arbeid. “Je had het ook aan de tuinman over kunnen laten, die komt overmorgen voor de grote beurt.” Over morgen al? Dan heb ik nog veel werk te doen. Alle door mij leeg getrokken stukken tuinarchitectuur moet ik nog van graszoden voorzien alvorens de tuinman ziet wat ik zijn zorgvuldig ontworpen tuin heb aangedaan. Bij drie verschillende adressen halen we graszoden vandaan die plotseling vrij zeldzaam blijken te zijn. Ik rijd me een slag in de rondte, nog steeds bijgestaan door mijn dochter die mijn missie lijkt te verstaan. Het eindresultaat is groen, en daar is in feite alles mee gezegd. De verschillende grassoorten, -kleuren en diktes geven een speels effect zullen we maar zeggen.
Ik herken opeens enige gelijkenis met mijn moeder, die vroeger voorafgaand aan een bezoek van haar hulp het huis ging poetsen.
Het eindresultaat geeft weliswaar een verregaand vertekend beeld van de moeite die erin is gestopt, maar ach… tijdelijk vlondertje erover en…. Partytime!

Heuvelachtige zomertrip!

Na een tamelijk zon arme en derhalve enigszins onbevredigende Zeeuwse vakantie met een aantal van onze puberkinderen, besloten we nogal ad hoc om er een paar dagen á deux achteraan te plakken. Niet te ver en niet te duur, zo viel onze keuze op de Duitse Eifel. Het was slechts een kleine drie uurtjes rijden en we bevonden ons reeds in een volkomen andere wereld, waar zowel de lucht als het water nog natuurlijk zuiver is, vakwerkhuisjes met schattige geveltjes en lage deurtjes je doen geloven dat de mens amper langer dan één meter vijftig lang is en criminaliteit, geweld, terrorisme en vloeken niet in het woordenboek lijken voor te komen. Zelfs ‘idyllisch’ zou een te grove en barse benaming vormen voor het straatbeeld dat we daar aantroffen. In de achterbak hadden we twee mountainbikes gemanoeuvreerd die al jaren dienst doen als stoere opvulling van onze rommelige garage. Nu blijkt echter dat het bezit van een dergelijk voertuig, zelfs in het eigen brein, de indruk wekt dat je een bovengemiddeld mountainbiker bent. Dus niet gehinderd door enige oefening of ervaring met het ingewikkelde scala aan versnellingen, laat staan met het uiteenlopende en uitermate geaccidenteerde landschap, vertrokken we vol goede moed, heuvelaf in de richting van de kortste mountainbiketrack van het gebied. Nu ben ik niet uitermate getraind, maar mijn “effe doorbijten, dan hebben we het maar gehad”-mentaliteit tezamen met mijn “liever korte, hevige pijn, dan langdurig slepende..”-principe, maakte dat ik al spoedig zwetend de fiks stijgende hellingen trotseerde. Met pijn in mijn zware benen, het zweet op mijn rug en een behoorlijke dosis tegenzin, verzon ik al buffelend de meest geraffineerde smoesjes om er de brui aan te mogen geven en om te kunnen keren. Al brainstormend bereikte ik echter steeds ruimschoots als eerste de top. Achter mij kroop mijn vent in een tergend traag tempo, met een achterlijk laag verzet de helling op. Jammer dat ik mijn Sudoku-boekje niet bij me had. Berg af bleek ik minder stoer. Met een wiebelende helm door de schokkende vering op het ongelijkmatige wegdek, reed ik met angst en beven naar beneden, blij als het pad weer iets omhoog ging. Ik legde het dan ook zwaar af bij de afdalingen, waardoor ik steevast onderaan de helling op camera werd vastgelegd, met een krampachtige, angstige blik en scheef hangende helm. Ik werd echter per keer zekerder en ik wist steeds beter wat de fiets wel of niet kon hebben. Mijn rechterhand hield ik bij de vierde aftocht al iets minder stevig om de achterrem geklemd dan tevoren. Met mijn beperkte zelfvertrouwen denderde ik de rotsachtige paden af, achter mijn roekeloze vriend aan, die zich inmiddels ontpopt had tot een uitzinnige kamikaze, wars van enige angst. Tot mijn schrik stond ik plots oog in oog met een tegenligger. Ik hield toch maar even stil, aangezien ik een frontale botsing niet uitsloot met mijn ongecontroleerde laveren. Toen de man me gepasseerd was, zwoegend om de pittige stijging, realiseerde ik me pas hoe stijl mijn ondergrond was. Enigszins nerveus stapte ik weer op mijn iets te grote fiets, mijn beide handen strak om de remmen geklemd. In een onbewaakt moment liet ik per ongeluk mijn achterrem iet wat vieren waardoor de fiets sterk de neiging had voorover te duikelen. Trachtend mijn evenwicht nog net in bedwang te houden, kreeg ik de stang van het monster vol tussen mijn benen. Ik slaakte een gesmoorde pijnkreet, die de zojuist passerende man nog moet hebben waargenomen. Ik had echter geen tijd om me daar druk om te maken, aangezien mijn fiets al bonkend en hobbelend in beweging was gekomen, doordat ik van schrik en pijn de beide remmen los had gelaten. Met een zekere paniek wipte ik mezelf gaandeweg pijnlijk in het zadel om de opgelopen achterstand in te halen. Beurs doch voldaan stapte ik na dertig kilometer van de fiets, verlangend naar een koud biertje. Proost! Morgen gaan we wandelen.

Even heel wat anders…

Naarmate de jaren passeren, gaat mijn swingende gemoed simultaan in een stijgende lijn mee met mijn leeftijd. Dat wil zeggen dat ik een enigszins instabiele indruk kan maken op emotionele momenten. Ik zou deze overdonderende moodswings liever onder de noemer ‘sensitief’ of ‘medelevend’ parkeren, dan dat ik toe zou willen geven aan enigerlei vorm van toenemende labiliteit. Door mijn overmatige betrokkenheid krijg ik kippenvel op mijn armen en tranen in mijn ogen bij het minste geringste beetje geluk dat anderen overkomt en laat ik mezelf uit het veld slaan door andermans tegenslagen. Ik zou het niet als een uitermate onprettige ervaring willen bestempelen, maar merkwaardig is het wel. Enorme succesverhalen laten mijn hart een sensationeel sprongetje van vreugde of trots maken. Een jongeman uit ons ‘dorp’ die zijn gymnasium afrondt met zeven tienen, het einde van de meeste romantische komedies, medelanders die massaal hun nagels laten lakken omwille van Tijn en een vredesconcert met een zee van fiere onbeschroomden, onder leiding van Ariana Grande om keihard van repliek te dienen, in antwoord op een zinloze aanslag. Allemaal momenten die me een intense doch aangename rilling of een traan van plotselinge blije ontroering kunnen bezorgen. Mijn moeder heeft dit bij het horen van het Wilhelmus of het zien van de lokale fanfare, maar dat stadium hoop ik voorlopig niet te bereiken.
Anderzijds houden andermans verdriet, noodlot of zorgelijkheden mij ook behoorlijk bezig. Ik ben diep onder de indruk wanneer een vriendje van mijn zoon op een paar tiende blijft zitten en van school af zal moeten, een willekeurige man me op een borrel vertelt dat hij op 53 jarige leeftijd na 28 jaar dienstverband op straat is komen te staan vanwege een fusie en nu al twee jaar nutteloos thuis zit en een lief vriendinnetje de moedige strijd tegen borstkanker zal gaan leveren vanaf aanstaande dinsdag. Gisteren nam ik sprakeloos verbluft kennis van het overlijden van onze nationale held Tijn, die zijn strijd onbaatzuchtig en puur heeft gestreden voor zijn lotgenoten. Ik ervaar deze uiteenlopende tegenspoed alsof het de mijne is en zou voor allen een oplossing aan willen dragen die alles doet verdwijnen. Ik realiseer me echter dat ik zelfs binnen ons eigen gezin een ieder al met moeite kan behoeden voor eventueel leed dat hen ten deel valt en de tegenslag die ze te verwerken krijgen. Loslaten is de oplossing, zegt men, ik heb echter geen idee hoe je dat moet doen. Onlangs gaf iemand mij de tip: “Als je moeite hebt met loslaten, stop dan met vasthouden”. Dat klinkt minder moeilijk.

Zo gênant!!

Gedurende de afgelopen periode stond, om een nog vrij onduidelijke en matig onderbouwde reden, onze woning te koop. De eeuwige tweestrijd die we gezamenlijk leveren tussen blijven zitten in een fijn, ruim en prachtig gesitueerd huis én opnieuw beginnen op een prettig stekje van ons samen, houdt ons al een aardige periode letterlijk en figuurlijk bezig. De aanhoudende onwetendheid en onzekerheid zorgt voor behoorlijke innerlijke onrust. Tevens begint het steeds weer op orde brengen van het hele huis, waar zeven kinderen en vijf huisdieren geregeld ofwel continue hun intrek nemen, me flink de neus uit te komen. Aangezien mijn huishoudelijke skills wellicht enige orde missen, durf ik te beweren dat er desalniettemin de nodige structuur te ontdekken is in de aanwezige chaos. Dit wil eerlijkheidshalve zeggen, dat er dus behoorlijk wat werk aan de winkel is wanneer er gegadigden zijn om een kijkje te nemen in de kern van ons bestaan. Het heeft geen enkele zin langdurig te voren aan deze grote schoonmaak te beginnen, daar er vervolgens een spoor van verderf ontstaat als de kinderschare zich weer meldt. Ik ben dus gedoemd om ’s morgens, voorafgaand aan een bezichtiging, mezelf een slag in de rondte te ruimen en poetsen om onze leefomgeving van enig decorum te voorzien, zodat het voldoende toonbaar is voor het geplande bezoek. Zo had onze makelaar laatst weer een date met een concullega en diens clientèle bij ons thuis. Nadat ik iedereen systematisch, met brood en benodigdheden de deur uit had gewerkt, ging ik rigoureus te werk. Dat gaat bij mij zeer geroutineerd, zonder enige logische volgorde, maar uiterst functioneel. In het T-shirt waarin ik had geslapen, waaronder ik snel een spijkerbroek had aangeschoten, deed ik twee uur lang een ouderwets staaltje ’ren je rot’. Ik liep wat achter met de was, dus gooide ik een wasmand met vuile én één met schone, ongevouwen was op de achterbank van mijn auto. Losse attributen die niet op de slaapkamers van de kinderen hoorden alsmede her en der rondslingerende kledingstukken, smeet ik ongecontroleerd in willekeurige kasten, in de hoop dat de makelaar de ‘ruime inbouwkasten’ niet aan de binnenkant zou tonen. De bedden rechtgetrokken, de gordijnen open, de stofzuiger door de benedenverdieping, de zesentwintig lege shampooflessen uit de badkamer van de kinderen en de tandpasta uit hun wasbak. Nog even snel de kussens van de bank opschudden, waar de afdruk van een slungelige puber nog in stond en dan was ik bijna klaar voor vertrek. De vorige keer stond de beste man iets te vroeg voor mijn neus, dus had ik me voorgenomen een kwartier speling te nemen. Ik zette de stofzuiger terug in de kast en was nog bezig de volle vuilniszak met onregelmatigheden die op mijn pad waren gekomen, dicht te binden toen ik één van de kinderen weer binnen hoorde komen. Hij was zijn brood vergeten en zijn boek voor frans. ‘Hij heeft mijn genen’, bedacht ik beschroomd. Ik sommeerde hem zijn boel bijeen te rapen en weg te gaan voordat ‘de kijkers’ zouden komen. Ik haalde de honden anderhalf uur later dan gebruikelijk uit hun muffige hok om ze regelrecht naar mijn auto te begeleiden. Ik zou ze wel even lekker laten rennen zolang ik toch niet thuis gewenst werd. Ik graaide de vuilniszak mee en met de andere hand een plastic tas met lege flessen. “Mam, er staat iemand voor het hek”, hoorde ik mijn zoon roepen. Ik kreeg een hartverzakking toen ik door het raam naar buiten keek en het clubje mensen zag staan. Het was zelfs nog tien minuten voor het ingecalculeerde kwartier dat ik al in acht had genomen. Hijgend riep ik tegen de honden dat ze door moesten lopen. Ik schoot met mijn blote voeten in een paar bergschoenen en stapte naar buiten. Met aan weerszijde een afvalzak in mijn handen gebood ik mijn zoon in de auto te stappen. Ik deed de achterklep open, gooide de twee zakken erin en floot naar de honden, die even twijfelden bij het zien van de geringe ruimte in de achterbak. “Hup erin!” moedigde ik hen sacherijnig aan. Met onnodig veel geweld vloog de klep dicht en stapte ik, me uitermate bewust van de toeschouwers, mijn ongekamde, verwarde haren, mijn loshangende veters en het gemis van mijn beha, zo snel mogelijk in de auto. Het hek was inmiddels open en met gezwinde spoed sjeesde ik, hevig gegeneerd, achteruit het pad af. Ik deed mijn raam open en en passant riep ik naar buiten: “U kunt naar binnen gaan hoor, mevrouw is ook al vertrokken”.